ECLI:NL:RBDHA:2025:14300

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
1 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.26462
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 66a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod in vreemdelingenrecht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit van 2 juni 2025 onverplicht is omdat een eerder terugkeerbesluit van 26 april 2023 nog van kracht is. Hierdoor is de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het nieuwe terugkeerbesluit.

Ten aanzien van het inreisverbod oordeelt de rechtbank dat verweerder bevoegd was dit op te leggen op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000. De stelling van eiser dat hij een verloofde en kind met EU-nationaliteit heeft, is onvoldoende onderbouwd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een afgeleid verblijfsrecht, terwijl dit op de weg van eiser ligt om te bewijzen.

De rechtbank wijst verder het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. Daarnaast is de rechtbank niet bevoegd om te oordelen over het beroep tegen de maatregel van bewaring, waarvoor de bewaringsrechter exclusief bevoegd is. Tot slot is geen sprake van schending van het refoulementbeginsel bij terugkeer naar Algerije. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het beroep tegen het terugkeerbesluit en wijst het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26462
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen
het terugkeerbesluit
- verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat aan eiser bij besluit van 26 april 2023 een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser heeft na oplegging van dat besluit de Europese Unie niet verlaten. Dat betekent dat het terugkeerbesluit van 26 april 2023 nog van kracht is. Daarmee is de oplegging van het terugkeerbesluit van 2 juni 2025 als zodanig onverplicht en ten overvloede en roept dit terugkeerbesluit geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven. Het terugkeerbesluit van 2 juni 2025 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, zodat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het hiertegen ingestelde beroep. De rechtbank komt om deze reden niet toe aan de bespreking van wat is aangevoerd over het terugkeerbesluit. Zoals ook is geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 juli 2023 [1] volgt hieruit geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
2. Op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 kan verweerder een inreisverbod opleggen aan een vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten. Gelet op het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit was verweerder bevoegd om op 2 juni 2025 aan eiser een inreisverbod op te leggen. [2] Eisers stelling dat hij een verloofde en kind heeft met een nationaliteit van de Europese Unie en dat daarom moet worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Uit het gehoor bij bewaring blijkt bovendien dat eiser de achternamen van zijn gestelde verloofde en kind niet weet. [3] Evenmin heeft eiser onderbouwd dat sprake is van een aan zijn gestelde verloofde en kind afgeleid verblijfsrecht, terwijl het wel op de weg van eiser ligt om deze stelling te onderbouwen. Anders dan eiser stelt ligt het niet op de weg van verweerder om te onderzoeken of er sprake is van afgeleid verblijfsrecht. Gelet hierop kunnen ook de beroepsgronden die eiser over het inreisverbod heeft aangevoerd niet kunnen slagen.
3. Over de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen de maatregel van bewaring die aan hem is opgelegd, is de beroepsrechter niet bevoegd een oordeel over te vellen. Daar kan alleen de bewaringsrechter over beslissen.
4. De rechtbank stelt tot slot ambtshalve in lijn met het arrest Ararat [4] vast dat van omstandigheden of informatie die maken terugkeer van eiser naar Algerije leidt tot schending van het refoulementbeginsel niet is gebleken. De rechtbank wijst op eisers verklaring in het proces-verbaal van gehoor voor het opleggen van het inreisverbod dat hij veilig is in Algerije en niet te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. [5]
5. De rechtbank is onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het terugkeerbesluit. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2263.
3.Pagina 6 en 7 van het proces-verbaal van verhoor van 2 juli 2025.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
5.pagina 7 van het proces-verbaal van verhoor van 2 juli 2025.