Eiser, een alleenstaande minderjarige asielzoeker uit de Tigray-regio in Ethiopië, vreesde vervolging en discriminatie vanwege zijn Tigray-afkomst en de betrokkenheid van zijn vader bij de Tigray People’s Liberation Front (TPLF). De minister wees zijn asielaanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de vrees voor vervolging en onvoldoende bewijs voor een reëel risico op ernstige schade. Daarnaast werd de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s afgewezen, mede omdat het onderzoek naar adequate opvang in Ethiopië niet was afgerond voordat eiser meerderjarig werd.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de verklaringen over de rol van de vader binnen de TPLF en de daaraan verbonden risico’s niet aannemelijk had geacht, mede door het ontbreken van onderbouwing en inconsistenties. Ook vond de rechtbank dat de discriminatie vanwege Tigray-afkomst onvoldoende ernstig was om te kwalificeren als vervolging. De veiligheidssituatie in Tigray was sinds het staakt-het-vuren aanzienlijk verbeterd, en eiser viel niet meer onder een risicoprofiel.
Wel oordeelde de rechtbank dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het onderzoek naar adequate opvang niet eerder kon worden afgerond tijdens de minderjarigheid van eiser. Hierdoor werd het beroep gegrond verklaard voor zover het de toepassing van het buitenschuldbeleid betrof, en werd het bestreden besluit op dat punt vernietigd. De minister werd opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.