Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:14064

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
NL25.31335
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 447e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel van bewaring opgelegd door minister Asiel en Migratie

De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie op 12 juli 2025 aan hem heeft opgelegd. Eiser betoogt dat zijn aanhouding verkapt vreemdelingenrechtelijk was, omdat onvoldoende strafrechtelijke aanleiding zou bestaan voor het vragen van zijn legitimatiebewijs en aanhouding.

De rechtbank beoordeelt het proces-verbaal van bevindingen en concludeert dat er wel degelijk een strafrechtelijke aanleiding was: het dragen van een balaclava bij warm weer en het snel in- en uitgaan van een woning wekte vermoedens van drugshandel of helpdeskfraude. Omdat eiser zijn legitimatiebewijs niet kon tonen en uit politiesystemen bleek dat hij uitzetbaar was, werd hij aangehouden op grond van artikel 447e Sr.

De rechtbank stelt vast dat de aanhouding geen verkapt vreemdelingenrechtelijke aanhouding is en ziet ook ambtshalve geen reden om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden daarom ongegrond verklaard. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31335

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. De rechtbank vindt de aanhouding van eiser niet verkapt vreemdelingenrechtelijk en de rechtbank ziet verder ook ambtshalve geen reden waarom de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hieronder legt de rechtbank uit zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 12 juli 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (beiden via een beeldverbinding), en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Was de aanhouding van eiser verkapt vreemdelingenrechtelijk?
3. Eiser betoogt dat het ervoor moet worden gehouden dat zijn aanhouding verkapt vreemdelingenrechtelijk was, omdat uit het proces-verbaal van bevindingen onvoldoende volgt wat de strafrechtelijke aanleiding was om eiser aan te spreken en om een identiteitsbewijs te vragen. [3] In het proces-verbaal staat dat de verbalisanten iemand met een balaclava in en uit een woning zagen lopen, terwijl het buiten 25 graden was. Dat is echter geen strafbaar feit. Het is eveneens niet gebleken dat eiser bij de woning drugs dealde of dat hij daar aan helpdeskfraude deed, zoals de verbalisanten in eerste instantie vermoedden. Daar komt nog bij dat de bewoonster van de woning later verklaarde dat eiser een vriend van haar zoon is. Eiser stelt daarom dat de reden om hem naar zijn identiteitsbewijs te vragen en de daaropvolgende aanhouding verkapt vreemdelingenrechtelijk waren. In dat geval moet sprake zijn van een redelijk vermoeden van onrechtmatig verblijf, en dat ontbreekt in zijn geval.
3.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister wijst er terecht op dat uit het proces-verbaal van bevindingen voldoende strafrechtelijke aanleiding blijkt om eiser naar zijn legitimatiebewijs te vragen en hem vervolgens aan te houden. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de verbalisanten het opmerkelijk vonden dat iemand bij een temperatuur van ongeveer 25 graden een balaclava [4] droeg en dat deze persoon binnen een minuut een woning in- en uitgaat, omdat dit kan duiden op het dealen van drugs of – gelet op de oude leeftijd van de bewoonster van de woning – helpdeskfraude. Uit deze beschrijving leidt de rechtbank af dat de verbalisanten vermoedden dat eiser een strafbaar feit had gepleegd en hem daarom om zijn legitimatiebewijs vroegen. Omdat eiser zijn legitimatiebewijs niet kon tonen en uit de politiesystemen bleek dat hij uitzetbaar was, hebben de verbalisanten hem aangehouden voor overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoek om zijn legitimatiebewijs te tonen had dus een strafrechtelijke achtergrond. Dat uiteindelijk niet van een strafbaar feit is gebleken en de bewoonster van de woning eerder had verklaard dat eiser een vriend van haar zoon is, maakt dat niet anders. Omdat de rechtbank in deze procedure alleen oordeelt over het gebruik van bevoegdheden toegekend bij of krachtens de Vw 2000, [5] mag zij niet oordelen over de vraag of de vordering om een legitimatiebewijs te tonen of de daaropvolgende aanhouding wegens overtreding van artikel 447e van het Sr rechtmatig was.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek van eiser om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Deze maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Eiser wijst op ABRvS 28 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB5258 en ABRvS 10 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT2574,
4.Dat is een soort bivakmuts.
5.Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400, r.o. 1.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.