ECLI:NL:RBDHA:2025:13721
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn ouders, broers en zus. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
De aanvraag is ingediend op 1 maart 2024, met een beslistermijn van 90 dagen die met drie maanden is verlengd, waardoor uiterlijk 30 augustus 2024 een besluit had moeten worden genomen. Deze termijn is verstreken zonder besluit. Eiser heeft op 26 november 2024 een ingebrekestelling gestuurd en op 7 april 2025 het beroep ingesteld, tijdig volgens de Awb.
De rechtbank oordeelt dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval, waardoor een langere beslistermijn dan twee weken passend is. Verweerder moet binnen acht weken na verzending van deze uitspraak beslissen, tenzij nader onderzoek wordt aangekondigd, dan binnen twintig weken. Voor elke dag overschrijding geldt een dwangsom van €100 met een maximum van €15.000.
De rechtbank stelt vast dat verweerder reeds €1.442 aan dwangsommen heeft verbeurd en veroordeelt hem tot betaling hiervan, de proceskosten van €453,50 en het griffierecht van €194 aan eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig genomen besluit vernietigd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder dreiging van dwangsommen.