ECLI:NL:RBDHA:2025:13677

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.19184
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 29 DublinverordeningArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Verordening nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om voorlopige voorzieningen behandeld en verklaart het beroep ongegrond.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, waarbij Nederland mag vertrouwen op de naleving van verdragsverplichtingen door Zwitserland. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van systeemfouten in Zwitserland die zouden leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.

Ook het beroep van eiseres op het arrest C.K., dat bescherming biedt bij ernstige mentale of lichamelijke aandoeningen, wordt verworpen. De medische gegevens tonen geen reëel of hoog risico op ernstige verslechtering van haar gezondheid door overdracht. De minister heeft de twijfels hierover gemotiveerd weggenomen en er is geen aanleiding voor een onderzoek door het Bureau Medische Advisering.

De rechtbank concludeert dat eiseres kan worden overgedragen aan Zwitserland en wijst het beroep af. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en overdracht aan Zwitserland toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19184

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 april 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening [1] en het beroep tegen het verlengen van de uiterste overdrachtstermijn [2] , op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [3] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Procesbelang
5. Er is een bericht ontvangen van de minister dat eiseres met onbekende bestemming vertrokken (mob) is met het verzoek om te beoordelen of er nog sprake is van procesbelang bij onderhavige procedure. De minister heeft daarbij een uitdraai van Indigo aangeleverd waaruit blijkt dat eisers op 21 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiseres heeft contact gehouden met haar gemachtigde en is, met haar gemachtigde, op zitting verschenen. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook procesbelang.
5.1.
De rechtbank merkt in dit kader nog op dat – als gevolg van het door de minister gestelde mob vertrekken – de overdrachtstermijn op grond van artikel 29 van Pro de Dublinverordening door de minister is verlengd. Tegen dat verlengingsbesluit heeft eiser óók beroep ingesteld (NL25.24551). Of de minister terecht de overdrachtstermijn heeft verlengd zal dan ook in het kader van dat beroep worden beoordeeld. Met het in deze procedure aannemen van procesbelang op grond van het hierboven weergegeven kader, geeft de rechtbank aldus geen oordeel over de juistheid van het verlengingsbesluit. [5]
Wat zegt eiseres?
6. Eiseres meent dat zij, nu vaststaat dat haar asielverzoek in Zwitserland is afgewezen, te vrezen heeft voor indirect refoulement. Eiseres beschikt niet over nieuwe relevante elementen zodat het doen van een nieuwe aanvraag niet zal helpen en zij terug zal moeten naar Turkije. In Turkije is het niet veilig voor haar. Ze verwijst naar uitspraken van de Afdeling [6] en het EHRM [7] waaruit volgt dat de overdragende lidstaat een vreemdeling niet mag uitzetten als dit ervoor zorgt dat de vreemdeling in een situatie terecht komt die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [8] . Daarbij stelt eiseres dat zij geen recht heeft op opvang in Zwitserland wanneer zij een herhaalde aanvraag zal doen. Ook doet eiseres, gelet op haar medische situatie, een beroep op het arrest C.K. [9]
Indirect refoulement
7. Het uitgangspunt is dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Zwitserland, dat net als Nederland partij is bij het EVRM en het Handvest [10] , zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan en dat er in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het Jawo-arrest. [11]
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd. Zij heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat in Zwitserland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. De rechtbank ziet in de enkele verwijzing van eiseres naar de passage in het AIDA-rapport van 2024 over de restrictievere behandeling van opvolgende aanvragen geen aanleiding om te oordelen dat er niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze passage leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat in Zwitserland sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen in de opvang- en asielprocedure dat de eerder genoemde hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt. Ook het feit dat de asielaanvraag van eiseres in Zwitserland is afgewezen en dat deze afwijzing niet is getoetst door een rechter maakt dit niet anders. Eiseres heeft immers verklaard geen beroep te hebben ingesteld tegen de afwijzing.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Het is daarom niet aan de rechtbank om in het kader van een Dublinoverdracht het risico op refoulement in Zwitserland verder te onderzoeken. [12] Met het claimakkoord garanderen de Zwitserse autoriteiten dat eiseres de mogelijkheid krijgt om daar een nieuw asielverzoek in te dienen. Er zal een individuele beoordeling plaatsvinden, met inbegrip van het eventuele risico dat eiseres loopt bij terugkeer naar Turkije. Als eiseres voor refoulement vreest dient zij deze vrees daarom in Zwitserland aan te kaarten. [13]
Arrest C.K.
8. Uit het arrest C.K. van het Hof van Justitie volgt dat sprake kan zijn van een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest wanneer de overdracht van een Dublinasielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand. Dat kan zelfs zo zijn indien niet ernstig gevreesd moet worden voor systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat. Het is aan de nationale autoriteiten van de overdragende lidstaat (in dit geval de minister) om bij het nemen van een overdrachtsbesluit rekening te houden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiseres die ten gevolge van de overdracht kunnen ontstaan. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidssituatie en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. In Werkinstructie 2021/3 is ook vastgelegd dat als een dergelijke situatie zich voordoet, het risico door het Bureau Medische Advisering (BMA) moet worden onderzocht. [14]
8.1.
Eiseres voert aan dat ze lijdt aan een depressie met psychotische kenmerken (visuele en auditieve hallucinaties), paniekaanvallen en nachtmerries en dat zij in het (recente) verleden een paar keer een zelfmoordpoging heeft gedaan door het slikken van pillen waarvan de laatste keer in februari 2025. Ter onderbouwing heeft zij het medisch dossier (journaalregels) overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het, om als een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K. te kunnen worden aangemerkt, noodzakelijk is dat het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van de overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog moet zijn ingeschat. [15] Een uitdraai van de journaalregels waaruit volgt dat eiseres meerdere malen een suïcidepoging heeft gedaan is daarvoor onvoldoende nu deze niet zijn opgesteld door een op dit punt deskundig medisch specialist en niet zien op de overdracht. Daarbij is bijvoorbeeld bij de suïcidepoging van februari 2025 opgenomen: “het is niet duidelijk of dit een zelfmoordpoging was”. Ondanks dat in deze zaak aangenomen wordt dat bij eiseres sprake is van medische problemen, is een situatie zoals beschreven in het arrest C.K. niet aannemelijk gemaakt. Er is niet gebleken van objectieve gegevens die een ernstige mentale (of lichamelijke) aandoening aantonen waarbij de overdracht tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zou kunnen leiden, of dat het risico bestaat dat die gevolgen zich voordoen. De minister heeft de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van eiseres deugdelijk gemotiveerd weggenomen. De minister hoeft daarbij geen rekening te houden met de gevolgen die het vooruitzicht op overdracht voor de psychische gesteldheid heeft. [16]
8.2.
Volgens de minister heeft eiseres verder niet onderbouwd dat zij in Zwitserland geen toegang tot medische zorg kan krijgen of daar niet passend wordt behandeld. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan uit worden gegaan dat Zwitserland dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om haar te behandelen. Eiseres kan bij voorkomende problemen klagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiseres die mogelijkheid niet heeft of dat de autoriteiten van Zwitserland haar niet kunnen of willen helpen. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een overdracht aan Zwitserland in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest of zal leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding hoeven zien voor het opstarten van een onderzoek door het BMA.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres kan worden overgedragen aan Zwitserland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL25.19185.
2.NL25.24551.
3.Verordening nr. 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsprak van de Raad van State van 13 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2024:2002.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
8.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
9.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië).
10.Het handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.Zoals is beschreven in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
12.Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
13.Dit volgt uit rechtsoverweging 6.4 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
14.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7.