AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
Eiser, een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit, was sinds 5 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd voortgezet tot 15 juli 2025, toen deze werd opgeheven. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Uit eerdere uitspraken bleek dat de bewaring tot 1 mei 2025 rechtmatig was. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna. De rechtbank stelde vast dat het terugkeerbesluit van september 2022 geldig bleef en dat het zicht op uitzetting naar Algerije aanwezig was, mede vanwege lopende aanvragen voor een laissez-passer.
Eiser voerde aan dat niet duidelijk was of verweerder voldoende contact had gehad met de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten en dat de bewaring onnodig lang duurde. De rechtbank oordeelde dat verweerder voortvarend had gehandeld, met periodieke rappels en vertrekgesprekken, en geen concrete aanwijzingen voor onrechtmatigheid waren aangevoerd.
De rechtbank sloot het onderzoek op 15 juli 2025 en concludeerde dat het voortduren van de bewaring tot dat moment rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30163
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De rechtbank heeft op 8 juli 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 9 juli 2025 een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op 10 juli 2025 hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 15 juli 2025 op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft op dezelfde datum de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 15 juli 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 vanPro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 februari 2025 en 1 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag ligt, rechtmatig was. [1] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep, 1 mei 2025.
4. Als voorwaarde voor de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw geldt dat uiterlijk gelijktijdig met het opleggen van de maatregel een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. De juistheid van het in dit geval uitgevaardigde en nog altijd geldende terugkeerbesluit van 6 september 2022 is niet ter beoordeling van de bewaringsrechter. De omstandigheid dat de door verweerder aangenomen Marokkaanse nationaliteit vooralsnog niet door de Marokkaanse autoriteiten kan worden bevestigd heeft dan ook geen betekenis voor de juistheid van de gekozen grondslag voor de maatregel.
5. Verweerder stelt zich verder terecht op het standpunt dat de eerdere verklaringen van eiser dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit aanknopingspunten bieden voor de veronderstelling dat eiser naar Algerije kan worden uitgezet. Bij de Algerijnse autoriteiten is op dit moment een lp-aanvraag in behandeling. Aangezien het zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt en de Algerijnse autoriteiten tot op heden niet hebben laten weten dat zij niet bereid zijn om voor eiser een lp af te geven, is er op dit moment geen grond voor de conclusie dat in eisers geval uitzetting naar Algerije niet binnen een redelijke termijn mogelijk is.
6. Eiser voert aan dat niet is gebleken dat verweerder daadwerkelijk schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse en Algerijnse ambassades over de aanvragen om een laissez-passer (lp). Ook is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten de lp-aanvraag hebben afgewezen, omdat verweerder deze stukken niet aan het digitale dossier heeft toegevoegd. Eiser is verbaasd dat verweerder de lp-aanvraag voor Marokko heeft afgesloten. Verder stelt eiser dat verweerder nog niets van de Algerijnse autoriteiten heeft vernomen. Hij vindt dat de bewaring onnodig lang heeft voortgeduurd doordat verweerder niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om een verweerschrift.
7. Gelet op de reactie van de Marokkaanse autoriteiten, heeft verweerder kunnen afzien van verdere pogingen om eiser uit te zetten naar Marokko. In het kader van het lp-traject voor Algerije blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder periodiek schriftelijke rappels heeft verzonden en vertrekgesprekken met eiser heeft gehouden. Verweerder heeft dan ook voldoende voortvarend gehandeld. De rechtbank ziet in het enkel ontbreken van de onderliggende stukken over de lp-aanvraag voor eiser geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de voortgangsrapportage. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen die aanleiding geven tot een ander oordeel.
8. De omstandigheid dat verweerder op 15 juli 2025 heeft gereageerd op het verzoek om een verweerschrift van 11 juli 2025 biedt als zodanig geen aanknopingspunt om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. De rechtbank heeft het onderzoek binnen de wettelijke termijn gesloten en de reactie van verweerder inhoudelijk bij haar oordeel kunnen betrekken.
9. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.