ECLI:NL:RBDHA:2025:13046

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 mei 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.21101
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 22 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de zaak op schriftelijke stukken beoordeeld.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. De rechtbank concludeert dat er zicht is op uitzetting naar zowel Marokko als Algerije, mede op basis van voortgangsrapportages en het feit dat de minister regelmatig contact onderhoudt met de autoriteiten voor de afgifte van een laissez passer. Er is geen aanwijzing dat de autoriteiten geen medewerking zullen verlenen.

Gezien deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21101
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

De minister heeft op 22 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 maart 2025 (in de zaak NL25.7916) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd oordeelt de rechtbank als volgt.
Zicht op uitzetting
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko1 en Algerije2 in het algemeen aanwezig is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dit in eisers geval anders is. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat zowel het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten als het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 1 mei 2025. Niet gebleken is dat de Marokkaanse dan wel de Algerijnse autoriteiten op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 mei 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.