ECLI:NL:RBDHA:2025:12883
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering en strijd met artikel 8 EVRM
Eiseres kreeg op 11 juni 2024 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door verweerder. Zij stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 10 juli 2025 in Rotterdam, waarbij verweerder niet verscheen.
Eiseres voerde aan dat verweerder onvoldoende had doorgevraagd tijdens het gehoor over haar familieleven en relatie met een Nederlandse jongen, en dat bijzondere individuele omstandigheden volgens haar een uitzondering op het inreisverbod rechtvaardigden. Zij stelde dat het inreisverbod haar familie- en gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro schaadde. De rechtbank stelde vast dat eiseres niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat verweerder op grond van de Vreemdelingenwet verplicht was het terugkeerbesluit en inreisverbod op te leggen, tenzij humanitaire redenen of artikel 8 EVRM Pro dat verhinderen.
De rechtbank oordeelde dat het gehoor zorgvuldig was verlopen en dat eiseres voldoende gelegenheid had haar zienswijze te geven. Echter ontbrak in het besluit een deugdelijke motivering waarom de verklaringen over haar zus en relatie niet tot afzien van het inreisverbod hadden geleid. Dit vormde een motiveringsgebrek en strijd met het beleid in de Vreemdelingencirculaire. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het het inreisverbod betrof.
Tot slot veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €1.814,-. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.
Uitkomst: Het inreisverbod is vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met artikel 8 EVRM.