ECLI:NL:RBDHA:2025:12541

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
14 juli 2025
Zaaknummer
NL24.47377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid seksuele gerichtheid en onvoldoende nieuwe elementen

Eiseres, van Ugandese nationaliteit, diende op 10 juli 2023 een herhaalde aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in, nadat eerdere aanvragen in 2016 en 2018 waren afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van haar seksuele gerichtheid en de omstandigheden in Oeganda.

De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiseres onvoldoende aannemelijk maakte dat zij lesbisch is en omdat de psychische klachten die haar verklaringen zouden beïnvloeden niet voldoende inzichtelijk waren onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde deskundigenrapporten onvoldoende specifiek waren over de invloed van PTSS op haar verklaringen en dat de minister terecht de verklaring van de gestelde partner niet als doorslaggevend heeft beschouwd.

De rechtbank concludeerde dat de minister de geloofwaardigheid van eiseres op juiste wijze heeft beoordeeld en dat er geen aanleiding was om de aanvraag toe te wijzen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47377
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. W. Epema).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de (herhaalde) asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Ten eerste stelt zij dat de in deze procedure overgelegde rapporten aantonen dat zij tijdens zowel eerdere asielprocedures als de onderhavige procedure niet in staat was om consistent, logisch en betrouwbaar te verklaren en dat deze rapporten haar seksuele geaardheid onderbouwen. Ten tweede stelt eiseres zich op het standpunt dat de minister haar gestelde partner ten onrechte niet heeft gehoord. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 10 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Ugandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1965. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 november 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gestelde partner van eiseres [naam] , de gemachtigde van eiseres, een telefonische tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere asielaanvragen
6. Eiseres heeft eerder, op 24 maart 2016, een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij die aanvraag heeft eiseres verklaard dat zij lesbisch is en dat zij, als non in Oeganda, een relatie had met een andere non. Nadat zij zoenend betrapt waren in het klooster is eiseres weggestuurd en met hulp van een Duitse vriendin kon zij met een visum voor Duitsland in 2004 Oeganda ontvluchten. Eiseres stelde te vrezen voor problemen met haar familie en met de nonnen als zij zou terugkeren naar Oeganda.
7. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 18 september 2017 afgewezen omdat hij de seksuele gerichtheid en de problemen die eiseres om die reden zou hebben ondervonden in Oeganda niet geloofwaardig achtte. De afwijzing van deze asielaanvraag is in rechte vast komen te staan met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 26 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:12457). Deze uitspraak is in hoger beroep op 24 november 2017 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd (zaaknummer: 201708674/1/V2).
8. Op 11 april 2018 heeft eiseres een tweede aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft bij besluit van 3 december 2018 deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiseres met haar verklaringen en overgelegde documenten geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd die aanleiding geven tot een ander oordeel dan verwoord in het besluit van 18 september 2017. Ook het besluit van 3 december 2018 is in rechte vast komen te staan, namelijk met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 15 januari 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:217).

Huidige procedure

9. Op 10 juli 2023 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het kader van deze aanvraag heeft eiseres de volgende documenten overgelegd:
- Rapporten van drs. [A] , GZ-psycholoog, van 17 juni 2023 en van 30 november 2024;
- Rapport van [B] , psychiater, namens Nationaal Psychotrauma Centrum ARQ (ARQ) van 30 december 2021;
- Verklaring van [naam] van 8 november 2024;
- Verklaring van Uganda Martyrs Community Holland (UMCH) van 9 november 2024.
10. Met het bestreden besluit heeft de minister die aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat de minister het niet geloofwaardig acht dat eiseres lesbisch is en dat zij tijdens de gehoren in haar twee eerdere aanvraagprocedures en in de huidige procedure dusdanig beperkt was wegens psychische klachten dat zij daar niet goed over kon verklaren. Ook acht de minister de gestelde relatie van eiseres met [naam] ongeloofwaardig.
Is sprake van nieuwe elementen of bevindingen?
11. Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw moet zo worden uitgelegd dat het begrip “nieuwe elementen of bevindingen” de elementen of bevindingen omvat die zich hebben voorgedaan na de definitieve beëindiging van de vorige asielprocedure, en ook de elementen of bevindingen die al bestonden vóór de beëindiging van die procedure maar waarop eiser zich niet heeft beroepen. Dit volgt uit het arrest XY van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 september 2021 (ECLI:EU:C:2021:710).
12. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is tussen de partijen dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die ten grondslag liggen aan de derde asielaanvraag van eiseres.
Leiden deze nieuwe elementen of bevindingen tot een andere beslissing?
13. Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit de rapporten van drs. [A] en uit de brief van ARQ volgt dat eiseres tijdens zowel de eerdere asielprocedures als de onderhavige procedure leed aan PTSS en een angststoornis. Zij zou daarom niet in staat zijn geweest om consistent, logisch en betrouwbaar te verklaren. Eiseres stelt dat, gelet op de klachten die zij ervaart en de algemeen bekende symptomen van PTSS, het evident is dat haar psychische gesteldheid invloed heeft gehad op haar vermogen om te verklaren. Eiseres voert aan dat de rapporten van drs. [A] ook haar gestelde seksuele geaardheid alsnog onderbouwen.
14. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1472) volgt dat een deskundigenrapport, voordat de conclusie getrokken kan worden dat de psychische problematiek van een vreemdeling invloed heeft gehad op het vermogen te verklaren tijdens een asielprocedure, voldoende inzichtelijk moet zijn. Het stellen van een PTSS-diagnose is daarvoor niet voldoende, aangezien de invloed van PTSS op het geheugen per persoon verschilt. Een deskundigenrapport moet daarom nader inzicht verschaffen op basis van welke bevindingen tot de conclusie is gekomen hoe en in welke mate de medische problematiek van de vreemdeling in concreto de werking van zijn geheugen, dan wel delen daarvan, heeft beïnvloed. Voor zover daarbij een geheugenstoornis ten tijde van het afnemen van de asielgehoren is vastgesteld, mag worden verwacht dat wordt toegelicht of en hoe deze geheugenstoornis heeft doorgewerkt in het vermogen van de vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren.
15. Ten aanzien van de rapporten van drs. [A] oordeelt de rechtbank dat deze onvoldoende inzichtelijk zijn. In de rapporten is namelijk niet afdoende inzichtelijk gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie, dat de psychische problematiek van eiseres invloed heeft gehad op haar vermogen om tijdens eerdere en onderhavige asielprocedure te verklaren, is gebaseerd op een op eiseres toegespitste beoordeling van haar vermogen om te verklaren. Hoewel de rapporten van drs. [A] beschrijven welke medische klachten eiseres had tijdens de eerdere asielprocedures, maken deze niet voldoende inzichtelijk waarom en in hoeverre deze klachten bij eiseres ook hebben geleid tot een interferentie met haar vermogen om consistent te verklaren. Uit de rapporten volgt dat eiseres lijdt aan alle symptomen van PTSS, maar niet wordt aangeduid waar in de gehoorverslagen uit blijkt dat eiseres daadwerkelijk tijdens de asielgehoren last had van haar PTSS-klachten en op welke manier deze klachten tot uiting kwamen.
16. Ook ten aanzien van het rapport van ARQ oordeelt de rechtbank dat dit onvoldoende inzichtelijk is. Uit het rapport volgt dat eiseres voldoet aan de classificatie PTSS. Verder is uiteengezet welke behandeling zij daarvoor heeft gevolgd en is haar gesteldheid toegelicht aan het einde van deze behandeling. Echter wordt niet inzichtelijk of en in hoeverre de psychische toestand van eiseres van invloed is geweest op haar vermogen om te verklaren tijdens de asielprocedures.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte voorbij is gegaan aan de conclusies uit de rapporten van drs. [A] en ARQ zonder nader onderzoek te doen, nu beide rapporten onvoldoende inzichtelijk zijn. De minister heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan het vermogen van eiseres om consistent, eenduidig en logisch te verklaren tijdens eerdere en onderhavige asielprocedure(s). Temeer nu voorafgaand aan het asielgehoor in 2016 een FMMU-advies is uitgebracht waaruit bleek dat weliswaar sprake was van medische klachten, maar dat dit geen beperking was voor het horen. Daar komt bij dat eiseres in de eerdere procedures ook nooit naar voren heeft gebracht dat zij psychische klachten had en tijdens het nader gehoor in 2016 ook heeft aangegeven zich goed te voelen. Het standpunt van eiseres dat de minister niet voldoende heeft doorgevraagd naar de psychische klachten volgt de rechtbank dan ook niet.
18. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de rapporten van drs. [A] en ARQ niet kunnen leiden tot de conclusie dat de minister in deze en voorgaande procedures niet van de verklaringen van eiseres mocht uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet.
19. Voor zover eiseres stelt dat de rapporten van drs. [A] haar gestelde seksuele geaardheid zouden onderbouwen, overweegt de rechtbank als volgt. Voornoemde rapporten bevatten kritiek op de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister en een analyse van waarom de verklaringen van eiseres wel geloofwaardig zouden zijn. Hieruit zou volgens de rapporten blijken dat eiseres lesbisch is. Deze analyse is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een niet-objectieve, alternatieve wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van verklaringen van een asielzoeker over de (gestelde) gerichtheid die voorbij gaat aan het feit dat het aan de minister is om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Hieraan kan daarom niet de waarde worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wil zien, namelijk dat daaruit de conclusie zou moeten worden getrokken dat haar verklaringen geloofwaardig zijn. Tegen de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling zijn verder ook geen concrete beroepsgronden gericht. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de gestelde partner van eiseres gehoord moeten worden?

20. Eiseres betoogt verder dat de minister te weinig gewicht heeft toegekend aan de overgelegde verklaring van haar gestelde partner. Eiseres verwijst hierbij naar Werkinstructie 2019/17 waaruit volgt dat verklaringen van derden doorslaggevend kunnen zijn in een geloofwaardigheidsbeoordeling met betrekking tot seksuele gerichtheid. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister haar gestelde partner had moeten horen. In dat verband verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6723) waaruit volgt dat juist vanwege de precaire bewijspositie van een lhbti-vreemdeling, die beperkte bewijsmiddelen heeft om de gerichtheid of identiteit te onderbouwen, het belangrijk is dat de minister de samenwerkingsplicht invult door de partner te horen dan wel te motiveren waarom hier niet toe besloten is.
21. De rechtbank overweegt dat uit paragraaf 3.1 van voornoemde Werkinstructie volgt dat de minister tot een oordeel moet komen inzake de geloofwaardigheid van het lhbti- zijn op basis van het gehele dossier. Er vindt dus een integrale beoordeling plaats, waarbij primair wordt gekeken naar de eigen verklaringen van de vreemdeling. In paragraaf 3.1 staat verder onder meer:
In twijfelgevallen kunnen verklaringen van derden – mits deze verklaringen daadwerkelijk een toevoeging zijn op het dossier – de doorslag geven. Het is echter afhankelijk van de individuele omstandigheden of een derdenverklaring eventueel opweegt tegen hetgeen de vreemdeling zelf heeft verklaard. Daarnaast geldt dat informatie van derden ook kan meewegen in het nadeel van de vreemdeling, indien de informatie afbreuk doet aan de eigen verklaringen van de vreemdeling.
22. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier hij de verklaring van de gestelde partner van eiseres bij de besluitvorming heeft betrokken en welk gewicht hieraan is toegekend. De minister heeft immers overwogen dat, hoewel de verklaring van de gestelde partner op sommige punten overeenkomt met de verklaringen van eiseres, de verklaringen van de gestelde partner niet voldoende persoonlijk zijn. Daarbij heeft de minister onder meer terecht geconstateerd dat er een (niet betwiste) tegenstrijdigheid zit tussen de verklaringen van eiseres en die van haar gestelde partner.
23. Nu de minister de eigen verklaringen van eiseres ten aanzien van haar gestelde relatie tegenstrijdig, vaag, oppervlakkig en algemeen heeft kunnen vinden, en er door eiseres en haar gestelde partner ook tegenstrijdig is verklaard, heeft de minister kunnen concluderen dat er geen sprake was van een twijfelgeval en heeft de minister op basis van Werkinstructie 2019/17 geen aanleiding hoeven zien om de gestelde partner van eiseres te horen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

24. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 mei 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.