ECLI:NL:RBDHA:2025:12539
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.A. Bouter - Rijksen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Oostenrijk op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische asielzoeker, verzocht Nederland om behandeling van zijn asielaanvraag, maar verweerder stelde dat Oostenrijk verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat zijn psychische toestand, langdurige onzekerheid en familiebanden in Nederland bijzondere omstandigheden vormden die overdracht zouden moeten verhinderen. Hij verwees naar het C.K.-arrest en stelde dat Oostenrijk een ander beschermingsbeleid hanteert, waardoor hij risico loopt op indirect refoulement.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende medische stukken had overgelegd om zijn psychische belasting aannemelijk te maken en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De eerdere afwijzing van zijn asielaanvraag in Oostenrijk is onvoldoende om een fundamenteel ander beschermingsbeleid aan te nemen. Ook de familiebanden in Nederland en de psychische belasting door de Dublin-carrousel werden niet als bijzondere omstandigheden erkend.
Verder vond de rechtbank dat verweerder terecht geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de asielaanvraag vanwege proceseconomische redenen aan zich te trekken. De vertraging in de procedure is mede het gevolg van keuzes van eiser zelf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker tegen de overdracht aan Oostenrijk wordt ongegrond verklaard.