ECLI:NL:RBDHA:2025:12539

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
14 juli 2025
Zaaknummer
NL25.24357
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DublinverordeningArt. 8 EVRMArt. 17 DublinverordeningArt. 18, lid 1, onder b, DublinverordeningArt. 3.109ca Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Oostenrijk op grond van Dublinverordening

Eiser, een Syrische asielzoeker, verzocht Nederland om behandeling van zijn asielaanvraag, maar verweerder stelde dat Oostenrijk verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat zijn psychische toestand, langdurige onzekerheid en familiebanden in Nederland bijzondere omstandigheden vormden die overdracht zouden moeten verhinderen. Hij verwees naar het C.K.-arrest en stelde dat Oostenrijk een ander beschermingsbeleid hanteert, waardoor hij risico loopt op indirect refoulement.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende medische stukken had overgelegd om zijn psychische belasting aannemelijk te maken en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De eerdere afwijzing van zijn asielaanvraag in Oostenrijk is onvoldoende om een fundamenteel ander beschermingsbeleid aan te nemen. Ook de familiebanden in Nederland en de psychische belasting door de Dublin-carrousel werden niet als bijzondere omstandigheden erkend.

Verder vond de rechtbank dat verweerder terecht geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de asielaanvraag vanwege proceseconomische redenen aan zich te trekken. De vertraging in de procedure is mede het gevolg van keuzes van eiser zelf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker tegen de overdracht aan Oostenrijk wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24357

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. O. Saraç,
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Raak.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 30 mei 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer NL25.24358), op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op
23 mei 2022 een eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van
24 november 2022 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van
22 december 2022 (NL22.24116) heeft deze rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen verdere rechtsmiddelen aangewend. Op
1 februari 2023 is hij overgedragen aan Oostenrijk. Eiser heeft op 19 maart 2025 een tweede asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 11 februari 2021 en 1 februari 2023 in Oostenrijk, op 23 mei 2022 in Nederland en op 30 april 2024 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 14 april 2025 heeft Nederland aan Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Oostenrijk heeft dit terugnameverzoek op 15 april 2025 aanvaard.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Oostenrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast ziet verweerder geen reden om de asielaanvraag van eiser wegens bijzondere individuele omstandigheden onverplicht aan zich te trekken.
Beroepsgronden
3. Eiser betoogt dat gelet op de combinatie van zijn psychische belasting, het langdurige verblijf in onzekerheid en het gemis van zijn gezin sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127. Eiser betoogt verder dat sprake is van een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Oostenrijk en Nederland. Zijn asielaanvraag in Oostenrijk is afgewezen. Als hij wordt overgedragen aan Oostenrijk zal hij dus geen recht op asiel hebben en worden uitgezet naar Syrië. Voorts betoogt eiser dat verweerder in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn recht op eerbiediging van het familieleven met zijn in Nederland woonachtige broer en vriendin als bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de psychische belasting van het langdurige verblijf in de Dublin-carrousel. Tot slot betoogt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de asielaanvraag niet vanwege proceseconomische redenen in behandeling heeft genomen.
Beoordeling
4.1.
Verweerder mag in zijn algemeenheid ten aanzien van Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit in de uitspraak van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1695 bevestigd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is.
4.2.
Eiser is hierin niet geslaagd. De combinatie van de gestelde psychische belasting, het langdurige verblijf in onzekerheid en het gemis van zijn gezin, maakt niet dat niet van het vermoeden kan worden uitgegaan dat de Oostenrijkse autoriteiten aan hun internationale verplichtingen zullen voldoen. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd. Al daarom heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn gezondheidstoestand maakt dat hij niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk, zoals bedoeld in het arrest C.K. Voor zover de rechtbank, gelet op de Afdelingsuitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, al binnen de kaders van een Dublinprocedure kan beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, is de rechtbank van oordeel dat er in het geval van eiser geen concrete aanwijzing bestaat dat hij bij overdracht aan Oostenrijk een reëel risico loopt op indirect refoulement. De enkele verwijzing naar de omstandigheid dat zijn eerdere asielaanvraag in Oostenrijk is afgewezen is onvoldoende. Hieruit blijkt namelijk niet zonder meer dat die afwijzing het gevolg is van een fundamenteel ander beschermingsbeleid dan in Nederland of van een evidente fout. Verder geldt dat de Oostenrijkse autoriteiten met het uitdrukkelijke claimakkoord hebben gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen. Als deze aanvraag wordt afgewezen kan eiser dit aanvechten bij de Oostenrijkse (hoogste) rechter. Eiser heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de Oostenrijkse (hoogste) rechter hem binnen het bestek van die asielprocedure niet zal beschermen tegen refoulement naar Syrië.
4.3.
Nu verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Oostenrijkse autoriteiten hun internationale verplichtingen nakomen en eiser niet met concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat bij zijn overdracht aan Oostenrijk het tegendeel het geval zal zijn, stelt verweerder terecht dat hij niet op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) aan zich te trekken. Deze beroepsgronden slagen niet.
4.4.
Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt gesteld dat overdracht van eiser aan Oostenrijk niet van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft in de stelling van eiser dat hij in Nederland een relatie heeft gekregen met een vrouw, met wie hij in de toekomst wil gaan trouwen, geen bijzondere, individuele omstandigheid hoeven zien. De Dublinverordening is op zichzelf niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen (vgl. de Afdelingsuitspraken van 1 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:74, en 8 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1765) en in de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening zijn de mogelijkheden voor het bijeenhouden en -brengen van het gezin in de asielprocedure uitgewerkt. De in Nederland ontstane relatie van eiser valt niet onder één van die bepalingen. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zijn relatie met zijn Nederlandse vriendin wordt gekenmerkt door een uitzonderlijk feitencomplex dat door de Uniewetgever bij de totstandkoming van voormelde bepalingen in de Dublinverordening niet is voorzien. Van een duurzame en exclusieve relatie is niet gebleken. Integendeel, tijdens het aanmeldgehoor in de eerste Dublinprocedure heeft eiser, hetgeen hij ook tijdens het aanmeldgehoor in deze Dublinprocedure heeft bevestigd, juist verklaard dat hij in Syrië een gezin (echtgenote en vier kinderen) heeft. Niet is gesteld of gebleken dat het huwelijk in Syrië inmiddels is ontbonden. Hetzelfde geldt voor de broer. Ook die situatie valt niet onder één van die bepalingen. Niet aannemelijk is gemaakt dat eiser zich zonder zijn broer niet staande kan houden en dat hij bij overdracht aan Oostenrijk door de afwezigheid van zijn broer teloor zal gaan. Tot slot is de gestelde psychische belasting door het langdurige verblijf in de Dublin-carrousel ook geen bijzondere, individuele omstandigheid. Verwezen wordt in dit verband naar overweging 4.2, waarin is overwogen dat eiser geen medische informatie heeft overgelegd. Gelet op dit alles maakt ook de combinatie van de door eiser aangevoerde omstandigheden niet dat sprake is van onevenredige hardheid wanneer eiser aan Oostenrijk wordt overgedragen.
4.5.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid geen gebruik hoeven maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje, van de Vc 2000 en dus geen aanleiding hoeven zien om het verzoek van eiser om internationale bescherming onverplicht aan zich te trekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.6.
Het betoog van eiser dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn in paragraaf C2/5 van de Vc 2000 neergelegde bevoegdheid om de asielaanvraag vanwege proceseconomische redenen aan zich te trekken, slaagt niet. Eiser komt uit Syrië. Verweerder stelt daarom terecht dat eiser niet afkomstig is uit een veilig land van herkomst waarbij na afhandeling van het verzoek in de procedure conform artikel 3.109ca van het Vreemdelingenbesluit 2000 binnen afzienbare tijd terugkeer naar het land van herkomst gewaarborgd is. In de stelling van eiser dat een nieuwe overdracht aan Oostenrijk de procedure, die sinds 2021 voortduurt, onnodig zou verlengen, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een andersluidende conclusie. In de eerste plaats is de eerste asielprocedure met de afwijzing van de asielaanvraag door de Oostenrijkse autoriteiten afgerond. Eiser heeft dus al duidelijkheid verkregen over zijn eerste asielaanvraag. In de tweede plaats is de langere duur van de tweede asielprocedure het gevolg van de keuze van eiser om terug te keren naar Nederland in plaats van het indienen van een opvolgende asielaanvraag in Oostenrijk. De vertraging van de inhoudelijke beoordeling van zijn opvolgende asielaanvraag komt daarom voor zijn rekening en risico.
Conclusie
5. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.