ECLI:NL:RBDHA:2025:12412

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
11 juli 2025
Zaaknummer
NL24.34065
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus-Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardige homoseksuele gerichtheid

Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend met het argument dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid en relatie met een partner in Irak gevaar loopt. De minister heeft deze aanvraag afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid. De rechtbank toetst deze afwijzing en bevestigt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk een liefdesrelatie heeft met zijn partner, mede door tegenstrijdige verklaringen en summiere toelichtingen.

Verklaringen van derden en foto’s die eiser heeft overgelegd, bieden geen nieuwe feitelijke informatie en wegen niet op tegen de ongeloofwaardigheid van zijn eigen verklaringen. De rechtbank oordeelt dat de minister zorgvuldig heeft gemotiveerd waarom de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is, mede gelet op eerdere procedures waarin dit ook werd vastgesteld.

Daarnaast is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade of vervolging. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige homoseksuele gerichtheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34065

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het daarmee niet eens. Daartoe voert eiser een aantal gronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het besluit omvat ook het besluit van de minister om eiser geen uitstel van vertrek te verlenen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank bespreekt die onderdelen daarom niet.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpuntdat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 juni 2022 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 maart 2023 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het beroep is op 18 april 2023 op zitting behandeld. Bij uitspraak van 2 mei 2023 is het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
2.3.
Bij uitspraak van 27 augustus 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het daartegen door de minister ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De partner van eiser, [persoon A], was ook aanwezig bij de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere procedures
3. Eiser heeft op 30 juli 2015 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 28 maart 2017 afgewezen als ongegrond omdat de minister eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit ontstane problemen niet geloofwaardig vond. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2018 onherroepelijk geworden. [2] Daarmee staat de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag in rechte vast. Vervolgens heeft eiser op 27 juni 2018 een opvolgende aanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 6 februari 2019 door de minister niet-ontvankelijk verklaard omdat hierin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 7 maart 2019 door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, ongegrond verklaard. [3] Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend. De afwijzing van eisers opvolgende aanvraag staat daarmee ook in rechte vast.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser heeft op 20 juni 2022 een tweede opvolgende aanvraag ingediend. Daarin heeft hij naar voren gebracht dat hij een homoseksuele relatie heeft met [persoon A] die niet bij de eerdere procedures is betrokken. Omdat homoseksualiteit in Irak strafbaar is, loopt eiser bij terugkeer naar Irak gevaar. Eiser onderbouwt zijn asielrelaas met de volgende documenten:
  • Verklaring van [persoon B] van 6 maart 2023;
  • Verklaring van [persoon C] van 6 maart 2023;
  • Verklaring van [persoon A] van 28 maart 2022;
  • Verklaring van [persoon D] van 28 maart 2022;
  • Verklaring van [persoon E] van 28 maart 2022;
  • Verklaring van [persoon F] van 30 maart 2022;
  • Verklaring van [persoon G] van 30 maart 2022;
  • Verklaring van [persoon H] van 4 april 2022;
  • Verklaring van [persoon I] van 28 juli 2022;
  • Verklaring van [persoon J] van 11 juni 2019;
  • Verklaring van [persoon K] van 20 juni 2022;
  • Foto’s van eiser met [persoon A];
  • Foto’s tijdens de Gay Pride in 2022;
  • Rapport van eisers psycholoog [persoon L] van Dokters van de Wereld. Dit rapport is van 5 mei 2021.
4.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst,
2. Homoseksuele gerichtheid eiser.
4.2.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister acht de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig. Eiser heeft met de overgelegde documenten zijn homoseksuele gerichtheid niet alsnog geloofwaardig gemaakt. Eisers eigen verklaringen over zijn relaties met [persoon A] en [persoon M] zijn tegenstrijdig en onvoldoende verdiepend. De verklaringen van derden maken niet dat eisers homoseksuele gerichtheid en zijn relaties geloofwaardig zijn, omdat het geen nieuwe informatie naar voren brengt anders dan dat eiser een relatie heeft met [persoon A]. Bovendien zijn de verklaringen opgesteld op eisers verzoek. [4] Uit [persoon A]’s verklaring blijkt niet dat hij en eiser meer zijn dan vrienden, behalve dat [persoon A] dit zelf stelt. Ook met de foto’s maakt eiser zijn relatie gerichtheid niet aannemelijk omdat deze uitsluitend het bezoeken van evenementen onderbouwen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
4.3.
Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats op
2 mei 2023 gegrond verklaard vanwege een zorgvuldigheidsgebrek. De minister had namelijk, zo oordeelde de rechtbank, ten onrechte nagelaten nader advies in te winnen over de medische beperkingen van eiser, zoals deze blijken uit de verklaring van zijn psycholoog. [5] Het hoger beroep dat de minister tegen de uitspraak van 2 mei 2023 heeft ingediend is door de Afdeling gegrond verklaard. [6] De minister hoefde volgens de Afdeling geen nader medisch advies in te winnen. De Afdeling heeft de zaak teruggewezen naar deze rechtbank en zittingsplaats. De reden daarvoor is dat de rechtbank de beroepsgronden eiser, gericht tegen het standpunt van de minister dat hij de gestelde homoseksualiteit en de relaties niet geloofwaardig vindt, onbesproken heeft gelaten. Die beroepsgronden worden daarom in deze uitspraak besproken.
Beoordelingskader
5. De minister maakt een inhoudelijke beoordeling van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Het vertrekpunt daarbij is dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid als asielmotief eerder naar voren heeft gebracht en in rechte vaststaat dat de minister eisers eerdere verklaringen daarover ongeloofwaardig mocht achten (zie onder 3).
5.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling in dit soort zaken ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. [7] De minister moet een integrale beoordeling verrichten en de vreemdeling kan zijn ontoereikende verklaringen compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal. In dat verband moet de minister kenbaar motiveren hoe hij rekening houdt met elk van de aangeleverde stukken. Daarbij is vooral van belang of informatie van feitelijke aard uit deze stukken volgt. [8]
5.2.
Over verklaringen van derden die een vreemdeling overlegt ter ondersteuning van zijn verklaringen over een homoseksuele gerichtheid volgt uit Werkinstructie 2019/17 dat de minister ingebrachte informatie van derden altijd meeweegt. In de besluitvorming moet worden gemotiveerd hoe rekening is gehouden met ingebrachte verklaringen van derden of waarom daarmee geen rekening is gehouden. Het moet inzichtelijk zijn welk gewicht er aan verklaringen van derden is toegekend. In twijfelgevallen kunnen verklaringen van derden de doorslag geven. Het is echter afhankelijk van de individuele omstandigheden of zo’n verklaring opweegt tegen hetgeen de vreemdeling zelf heeft verklaard. Bij de beoordeling hoe informatie van derden wordt meegewogen, kijkt de minister in ieder geval naar: de inhoud van de verklaring (waarbij vooral feitelijke informatie zoals waarnemingen van een derde over concrete gedragingen van de vreemdeling van toegevoegde waarde kunnen zijn) en de bron van de verklaring (waarbij eigen waarnemingen van een derde zwaarder wegen dan een verklaring uit eigen hand of een optekening door een derde van de verklaringen van de vreemdeling). Daarbij wordt aan verklaringen van een derde die geen belang heeft bij de uitkomst van de asielaanvraag meer gewicht toegekend dan aan een verklaring van een derde die daar wel belang bij heeft.
Heeft de minister ten onrechte eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig geacht?
6. Eiser voert aan dat zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Volgens de minister is het ongeloofwaardig dat eiser en [persoon A] een liefdesrelatie hebben omdat ze enkel samenwonen, elkaar helpen, samen koken en soms ruzie hebben. [9] Het is onduidelijk waar de minister zijn argumentatie op baseert. De minister had nader moeten motiveren waarom hij de liefdesrelatie met [persoon A] niet geloofwaardig acht. Eiser heeft uitvoerig en consistent verklaard over zijn relatie. De aspecten die hij heeft genoemd zijn niet uniek voor een liefdesrelatie, maar maken de relatie evenmin ongeloofwaardig. Eiser weet ook niet in hoeverre het gewoonlijk is om nog verder de verdieping in te gaan in antwoorden op de vragen.
Eiser voert verder aan dat de minister in het besluit terugkomt op zijn eerdere standpunt dat eiser alles had moeten weten van [persoon A] ex-partners, maar daar ten onrechte geen gevolgen aan verbindt. In het eerdere voornemen werd dit specifieke punt juist gebruikt als reden om de verklaringen van de eiser ongeloofwaardig te achten.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Ten eerste heeft eiser tegenstrijdige verklaringen over zijn relatie met [persoon A] afgelegd, namelijk over wanneer precies de relatie met [persoon A] begon. Eiser verklaart eerst dat hij sinds acht maanden een sterke liefdesrelatie heeft. [10] Dat zou juli 2022 zijn. Later verklaart eiser dat zijn relatie begon met oud en nieuw 2022. [11] Dit komt niet met elkaar overeen. Bovendien heeft [persoon A] verklaard dat de relatie met eiser in oktober 2021 is begonnen. Aan eiser is gevraagd waarom [persoon A] een andere startdatum van de relatie heeft aangegeven. Hij kan dit niet uitleggen. Eiser verklaart dat hij de verklaring van [persoon A] niet heeft gelezen en niet weet wat [persoon A] bedoelt, maar dat de dag van oud en nieuw voor hem het moment was dat ze een relatie kregen omdat ze toen voor het eerst seks hadden. [12] In de correcties en aanvullingen verklaart eiser echter iets anders, namelijk dat het vanaf de avond met oud en nieuw serieus was, omdat hij toen bij [persoon A] introk. [13] De minister mag erop wijzen dat deze verklaringen niet met elkaar overeen komen. Hoewel eiser aangeeft dat hij moeite heeft met het benoemen van datums, zitten hier te grote verschillen tussen waar eiser onvoldoende verklaring voor geeft. Dat iedereen de start van een relatie anders ervaart, maakt het oordeel ook niet anders. Zoals de minister terecht stelt, werpt hij eiser niet alleen tegenstrijdigheden met de verklaringen van [persoon A] tegen, maar ook in zijn eigen verklaringen.
Ten tweede stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen onvoldoende inzicht geven in zijn relatie met [persoon A]. Dat eiser met [persoon A] samenwoont, dat ze elkaar helpen, samen koken en soms ruzie hebben mag de minister onvoldoende vinden om aan te nemen dat er daadwerkelijk sprake is van een liefdesrelatie. Eiser is meermaals in de gelegenheid gesteld om meer te vertellen over zijn liefdesrelatie en dit is ook in de vraagstelling naar voren gekomen, maar desondanks zijn eisers verklaringen over de relatie algemeen van aard gebleven. Van eiser mag meer verwacht worden, te meer omdat hij al meer dan een jaar met [persoon A] samenwoont en een relatie met hem heeft. Daar komt bij dat eiser inmiddels weet dat er meer van hem verwacht wordt, nu hem al tijdens twee eerdere procedures is tegengeworpen dat hij summier over zijn gerichtheid heeft verklaard. Bovendien stelt eiser zelf tijdens het gehoor van zijn tweede opvolgende aanvraag dat hij beter kan verklaren over zijn gerichtheid. [14] Ook heeft eiser aan het einde van het gehoor verklaard dat hij zichzelf heeft geuit en alles heeft gezegd zonder dat hij zich schaamde. [15] Dat eiser eerder meer schaamte voelde om te verklaren over zijn gerichtheid is een omstandigheid waar de minister voldoende rekening mee heeft gehouden in het gehoor. [16]
Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzicht geeft in hoe hij van [persoon A] is gaan houden. [17] Eiser legt uitsluitend uit dat hij zag dat [persoon A] zich aan eiser hechtte, hem uitnodigde om te komen eten en dat [persoon A] het niet als voorwaarde stelt om met hem te slapen. Eiser heeft hiermee echter niet aangegeven hoe het proces verliep waarin hij van [persoon A] is gaan houden. Van hem mag meer verwacht worden, nu hij ook heeft verklaard dat dit een proces was en dat hij hier beter over kan verklaren. Ook op de vraag waarom hij [persoon A] zo leuk vindt, geeft hij korte en summiere antwoorden. Eiser verklaart dat [persoon A] aardig en vriendelijk is, hem helpt in moeilijke situaties en hem moed inspreekt. [18] Hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat [persoon A] meer dan een gewone vriend is. Later is eiser nog de gelegenheid geboden om dit toe te lichten. [19] Eiser geeft dan aan dat [persoon A] geïnteresseerd is in hem en berichten schrijft hoe het met hem gaat en waar hij was en dat hij hem mist. Hiermee heeft hij onvoldoende inzicht gegeven in waarom [persoon A] voor hem meer betekent dan een gewone vriend. Hij maakt hiermee dan ook niet aannemelijk dat hij daadwerkelijk een liefdesrelatie met [persoon A] heeft. Eiser beantwoordt ook kort en inhoudelijk beperkt over hoe de relatie precies is ontstaan. Hem is gevraagd hoe [persoon A] interesse toonde. [20] Eiser antwoordt dat [persoon A] interesse toonde door met hem te praten en te eten op een barbecue, en dat het contact steeds intenser werd. [21] De minister mocht hierover concluderen dat eiser hiermee niet aannemelijk maakt dat hij daadwerkelijk een liefdesrelatie met [persoon A] heeft.
Eisers betoog dat hij niet weet in hoeverre het gewoonlijk is om tijdens het gehoor nog verder de verdieping in te gaan volgt de rechtbank ook niet. Eiser is meermaals in de gelegenheid gesteld om meer te vertellen over zijn liefdesrelatie en dit is ook in de vraagstelling naar voren gekomen. Bovendien is dit eisers tweede opvolgende aanvraag.
Wat betreft eisers betoog dat de minister geen gevolgen heeft verbonden aan het terugkomen op een eerder standpunt heeft de gemachtigde van de minister op de zitting toegelicht dat de minister inderdaad op zijn standpunt is teruggekomen, maar dat dit niet heeft geleid tot een andere conclusie over de geloofwaardigheid over de homoseksuele gerichtheid van eiser. Er is volgens de minister namelijk nog voldoende om eisers gerichtheid ongeloofwaardig te achten. De rechtbank kan de minister daarin volgen.
Verklaringen van derden en foto’s
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte voorbij gaat aan de stukken die hij heeft ingebracht die zijn homoseksuele gerichtheid en zijn relatie met [persoon A] onderbouwen.
Eiser heeft brieven van vrienden en van zijn gestelde partner [persoon A] ingebracht. Ook heeft eiser foto’s overgelegd met [persoon A] en van de Gay Pride in 2022.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van derden en de foto’s niet leiden tot de conclusie dat de homoseksuele gerichtheid van eiser geloofwaardig is. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021 [22] is het uitgangspunt dat eiser zijn seksuele gerichtheid vooral met eigen verklaringen aannemelijk moet maken. Stukken van derden kunnen daarbij dienen als ondersteunend bewijs. Verder volgt uit Werkinstructie 2019/17 [23] dat bij aanvragen waar lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd de minister op zoek is naar een authentiek verhaal. Hierbij mocht de minister benadrukken dat de verklaringen van derden en foto’s de verklaringen van eiser kunnen ondersteunen, maar niet opwegen tegen zijn ongeloofwaardig geachte verklaringen. In eisers geval nemen de verklaringen van derden en foto’s deze ongeloofwaardigheid dan ook niet weg. Ten eerste komen de verklaringen van derden (eisers vrienden) [24] die toelichten dat eiser en [persoon A] een relatie hebben en dat ze geloven dat eiser homoseksueel is, overeen met dat wat eiser zelf heeft verklaard en brengen daardoor geen nieuwe informatie naar voren dan de informatie die de minister eerder al heeft beoordeeld. Ook bevatten de verklaringen geen feitelijke informatie over eisers gerichtheid. Bovendien zijn de verklaringen op verzoek van eiser zelf opgesteld. [25] Daardoor kan er niet zonder meer van uit worden gegaan dat de inhoud van deze verklaringen juist is. De verklaring van [persoon I], eisers begeleider bij HVO Querido, bevat net zoals de andere verklaringen geen feitelijke informatie die van toegevoegde waarde kan zijn om eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en relatie aannemelijk te maken. Ook uit de verklaringen van [persoon A] blijkt niet dat eiser en hij meer dan vrienden zijn, behalve dat [persoon A] dit zelf stelt. [persoon A] legt weliswaar uit dat hij het fijn heeft met eiser, dat eiser discreet en prettig is, dat ze bovenal goede vrienden zijn en dat ze als partners weleens gedoe hebben. Hieruit volgen echter geen feiten of waarnemingen die een toevoeging zijn op wat eiser zelf stelt. Overigens mocht de minister, zoals geoordeeld onder 6.1, het opvallend vinden dat [persoon A] in zijn verklaring een andere begindatum noemt van de relatie dan eiser en dat eiser dat verschil niet kan uitleggen. Dit terwijl eiser en [persoon A] stellen dat ze al meer dan een jaar partners zijn en een intieme relatie hebben. Nu eiser tegenstrijdig verklaart met wat [persoon A] stelt in de brief, en hij deze brief zelf heeft ingestuurd, mocht de minister hieraan de conclusie verbinden dat deze omstandigheid niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de gestelde liefdesrelatie met [persoon A]. De verklaring van [persoon A] kan daarom hun gestelde relatie ook niet aannemelijk maken. Tot slot kan eiser met de overgelegde foto’s ook niet zijn gerichtheid en relatie aannemelijk maken. Dat eiser in 2022 bij Gay Pride is onderbouwt op zichzelf niet zijn gerichtheid. De foto’s op de barbecue onderbouwen ook niet de gestelde homoseksuele relatie van eiser. De foto’s doen daarom niet af aan het eerdere oordeel dat eiser zijn gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt.
Heeft eiser bij terugkeer naar Irak gegronde vrees voor vervolging of loopt hij een reëel risico op ernstige schade?
8. Eiser betoogt dat hij als homoseksueel gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging en/of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM en dat hij daarom niet veilig kan leven in Irak. Bij terugkeer naar Irak krijgt eiser namelijk te maken met een gevaarlijke situatie voor homoseksuelen in de vorm van juridische sancties, sociale stigmatisering, bedreigingen en geweld.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank onder 6.1 heeft overwogen, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade of gegrond vrees heeft voor vervolging. Eiser heeft ook geen andere omstandigheden aangevoerd die ertoe leiden dat terugkeer naar Irak een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM zou opleveren.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Zaaknummer 201709518/1/V2 (niet gepubliceerd).
3.Zaaknummer NL19.2786 (niet gepubliceerd).
4.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 19.
5.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 2 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22350.
6.ABRvS 27 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3462.
7.ABRvS 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885.
8.ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754.
9.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 13.
10.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 8.
11.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 9.
12.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 20.
13.Correcties en aanvullingen gehoor opvolgende aanvraag, 16 maart 2023.
14.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 5, 8 en 21.
15.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 21.
16.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 5: de gehoormedewerker vraagt aan eiser: ‘‘U gaf aan dat u eerst in angst leefde en schaamte, maar dat u nu wel open kunt verklaren. Ik vroeg aan u om toe te lichten wat heeft bijgedragen aan die ontwikkeling waarop u antwoord dat u in Nederland leerde dat het normaal is om homoseksueel te zijn en dat u het daardoor normaal begon te vinden. Ik ga er dus vanuit dat u in Nederland uw geaardheid normaal begon te vinden. Mijn vraag is dus, wanneer begon u, tijdens deze ontwikkeling, uw geaardheid normaal te vinden?’’. Zie ook pagina 8 van datzelfde gehoor: ‘‘Wat maakt dat u in die vier jaar periode wel seksuele relaties heeft opgezocht, althans onderhouden ondanks uw angst en schaamte, maar dat u tijdens uw procedures weinig over uw gevoelens en proces van zelfacceptatie kon praten?’’
17.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 11 e.v.
18.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 11.
19.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 12.
20.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 20.
21.Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023, pagina 20.
22.ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754.
23.Werkinstructie 2019/17, ‘horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’.
24.[persoon B], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon J] en [persoon K].
25.Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pagina 19: op de vraag van wie de derdenverklaringen afkomstig zijn antwoordt eiser: ‘Vrienden van [persoon A] en ze kennen mij ook. Daarom vroeg ik aan hun of ze een verklaring voor mij konden schrijven. Ze kwamen bij ons, ze hebben bij ons verbleven voor twee weken voor vakantie.’