ECLI:NL:RBDHA:2025:12171
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag medische verblijfsvergunning wegens toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel medische behandeling. Deze aanvraag is door de minister van Asiel en Migratie afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, vanwege een eerder vastgesteld strafbaar feit waarbij eiser zijn nicht zou hebben verkracht. Dit is bevestigd door eerdere uitspraken van de rechtbank en de hoogste bestuursrechter.
Eiser voerde in beroep aan dat het strafbare feit meer dan 20 jaar geleden zou zijn gepleegd, dat hij nooit in Syrië is veroordeeld en dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen. Ook stelde hij dat hij ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank oordeelt dat de toepassing van artikel 1F en het opgelegde inreisverbod onbetwist zijn en dat de persoonlijke omstandigheden reeds voldoende zijn betrokken, waaronder het medische uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro.
De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase, omdat er geen redelijke twijfel bestond over de uitkomst. De aanwezigheid van de gezinsleden en hun situatie zijn erkend, maar leiden niet tot een andere beoordeling. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een medische verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.