ECLI:NL:RBDHA:2025:12167
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wegens onjuiste feitelijke grondslag
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende jongvolwassene, verzocht om een verblijfsvergunning op humanitaire niet-tijdelijke gronden om familieleven met zijn moeder in Nederland te kunnen uitoefenen. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf en het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn moeder.
Eiser voerde in beroep aan dat verweerder onjuiste feiten had vastgesteld, met name dat hij in 2018 in Turkije zou hebben gewoond en een machtiging tot voorlopig verblijf had aangevraagd, terwijl hij in werkelijkheid in Nederland verbleef. Tevens stelde eiser dat hij in de periode 2003-2009 in Nederland verbleef, tegen de stelling van verweerder in.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onjuist had vastgesteld dat eiser in Turkije verbleef in 2018 en dat eiser in de periode 2003-2009 niet in Nederland verbleef. Eiser had overtuigend bewijs geleverd van zijn aanwezigheid in Nederland, waaronder schooldocumenten, medische verslagen, en transacties met locatiegegevens.
Omdat deze onjuiste feiten in het nadeel van eiser zwaarwegend waren meegewogen in de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, was het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en diende het te worden vernietigd. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.