Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 23 mei 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister hief de bewaring op 28 mei 2025 omdat overdracht aan Italië niet mogelijk bleek. Eiser stelde beroep in tegen de bewaring en vroeg tevens schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekomt. Uit onderzoek bleek dat eiser verzoeken om internationale bescherming had ingediend in Slovenië en Italië, waardoor de Dublinverordening van toepassing was. De maatregel was gebaseerd op zware gronden, waaronder dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en zich aan toezicht had onttrokken.
De rechtbank oordeelde dat de gronden en motivering van de bewaring voldoende waren en dat de minister terecht geen lichter middel toepaste vanwege het risico op ontduiking. De onduidelijkheid in de Arabische vertaling deed niet af aan de rechtmatigheid. De bewaring was niet onrechtmatig en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het schadeverzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.