ECLI:NL:RVS:2018:2162
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring op grond van Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 20 maart 2018 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de Dublinverordening op hem van toepassing was. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat onduidelijkheid bestond over de toepasselijkheid van artikel 59a boven 59b van de Vreemdelingenwet. Tevens betoogde hij dat de motivering voor het niet toepassen van een lichter middel voldoende was gegeven. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de motivering ontbrak en vernietigde het vonnis.
Vervolgens toetste de Afdeling het besluit van 20 maart 2018 inhoudelijk en concludeerde dat de gronden voor bewaring, waaronder het risico op onderduiken, voldoende waren gemotiveerd en dat de vreemdeling onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangevoerd. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.