Eisers hebben beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op hun aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf van 13 augustus 2024. De minister had de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden verlengd, maar ook deze verlenging is verstreken zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat het dossier mogelijk nog niet compleet is en dat de minister nog aanvullende documenten kan opvragen. Daarom legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van acht weken op, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van €100 per dag moet betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Omdat reeds meer dan 42 dagen zijn verstreken, wordt een bestuurlijke dwangsom van €1.442 vastgesteld.
De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 en het betaalde griffierecht van €194. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is geanonimiseerd gepubliceerd.