Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag van 11 juli 2024 voor een machtiging voorlopig verblijf. De minister had de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden verlengd, maar ook deze termijn is verstreken zonder besluit. De rechtbank stelt vast dat het dossier mogelijk nog niet compleet is en dat de minister nog nadere documenten kan opvragen.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na deze uitspraak een besluit moet nemen, tenzij zij binnen die termijn besluit tot nader onderzoek, waarna de termijn twintig weken wordt. Bij overschrijding van deze termijn moet de minister een dwangsom van € 100 per dag betalen, met een maximum van € 15.000. Daarnaast is een bestuurlijke dwangsom vastgesteld van € 1.442 vanwege eerdere overschrijding.
De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en er is vrijstelling van griffierecht verleend.