Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden had beslist op zijn asielaanvraag van 4 januari 2024. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken zonder besluit en dat de minister ook na verzoek van eiser niet binnen twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt de minister een nieuwe beslistermijn van zestien weken opgelegd, het zogenaamde ‘8+8 wekenmodel’. De minister wordt verplicht binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen.
Om naleving van deze termijn af te dwingen, legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag dat de minister te laat is, met een maximum van €15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen-Telman en openbaar gemaakt zonder zitting. De minister wordt hiermee gedwongen om binnen de gestelde termijn te beslissen, onder dreiging van financiële sancties.