ECLI:NL:RBDHA:2025:11101
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning arbeid in loondienst voor Turkse onderdaan niet in strijd met Turks associatierecht
Deze uitspraak betreft het beroep van eiser, een Turkse onderdaan, tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag op 6 juni 2024 afgewezen en het bezwaar van eiser op 12 maart 2025 ongegrond verklaard. Eiser betoogde dat het vereiste om in het bezit te zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv-vereiste) niet tegen hem mocht worden toegepast vanwege het Turks associatierecht.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van dezelfde zittingsplaats, waarin het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij Turkse onderdanen werd bevestigd. De beroepsgronden van eiser kwamen overeen met eerdere, reeds verworpen gronden. De rechtbank concludeert daarom dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld omdat partijen geen zitting wensten. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden. De uitspraak is openbaar en bevat informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning arbeid in loondienst wordt ongegrond verklaard.