Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit, was in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 27 maart 2025 opgelegd en op 12 juni 2025 opgeheven, waarbij een nieuwe maatregel werd opgelegd.
Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat de grondslag was gewijzigd na afronding van zijn asielprocedure en verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring vanaf het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 16 april 2025.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel rechtmatig was gedurende de te beoordelen periode. De afwijzing van het beroep op 25 april 2025 en de opheffing van de bewaring op 12 juni 2025 maakten dat de grondslag tijdig was aangepast. Verder is volgens vaste rechtspraak geen voortvarendheidseis aan uitzetting verbonden en was de duur van de bewaring binnen de maximale termijn van de wet.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.