Eiser, van Moldavische en Russische nationaliteit, werd op 12 maart 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de bewaring, de uitreiking van het terugkeerbesluit, de grondslag van de ophouding en de informatieplicht van de minister.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2025 aan eiser was uitgereikt, ondanks zijn stelling dat hij hiervan niet op de hoogte was. Ook was de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet terecht omdat de identiteit van eiser op dat moment niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Wel werd vastgesteld dat de minister zijn informatieplicht volgens artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit had geschonden doordat een informatiebrief in het Russisch niet in het dossier was opgenomen. Dit gebrek leidde echter niet tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat eiser mondeling en met tolk op de hoogte was gesteld van de redenen en rechtsmiddelen.
De minister had de maatregel van bewaring gebaseerd op meerdere gronden, waaronder het ontbreken van geldige documenten en het niet naleven van de vertrekplicht. De rechtbank vond deze gronden feitelijk juist en voldoende om de bewaring te dragen. Het betoog van eiser dat de maatregel onevenredig bezwarend was vanwege zijn wens bij zijn echtgenote en kind in Duitsland te zijn, werd verworpen. De rechtbank concludeerde dat de belangen van eiser niet zodanig worden geschaad dat de bewaring onrechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.