ECLI:NL:RBDHA:2025:10421
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom
Eiser heeft op 3 maart 2024 een asielaanvraag ingediend bij de minister van Asiel en Migratie. Volgens artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 had de minister binnen zes maanden een besluit moeten nemen. Hoewel de minister werd ingebreke gesteld op 6 december 2024, is er geen besluit genomen binnen de wettelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden door het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2023/26 niet rechtsgeldig is, waardoor de zes maanden termijn van toepassing blijft. Het beroep van eiser is daarom gegrond.
De rechtbank legt een redelijke nadere termijn van zestien weken op waarbinnen de minister alsnog moet beslissen. Tevens wordt een rechterlijke dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500, omdat het uitsluiten van dwangsommen in asielprocedures strijdig is met het EU-Handvest.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van eiser ter hoogte van €907, met een wegingsfactor van 1 vanwege de betwisting van de rechtsgeldigheid van het wijzigingsbesluit. De uitspraak is gedaan door rechter L.M. de Vries en griffier N.J. Vervoordeldonk.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de minister krijgt zestien weken om te beslissen en er wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd.