ECLI:NL:RBDHA:2025:10203
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke vernietiging verwijderingsbesluit wegens onjuiste vermelding land van terugkeer
De zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van 29 november 2024 waarin is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Verweerder stelde dat eiser sinds maart 2023 in Nederland verbleef zonder rechtmatig verblijf en dat hij moest terugkeren naar Polen. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn verblijf tussen 2014 en 2023, dat de vertrektermijn niet gemotiveerd was en dat het terugkeerland onjuist was vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat verweerder wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar de gehele periode en dat eiser geen bewijs heeft geleverd van rechtmatig verblijf. De vertrektermijn van één maand is volgens de rechtbank toereikend en niet onredelijk. Wel is de rechtbank het eens met eiser dat Polen ten onrechte als land van terugkeer is genoemd, omdat het hier om een verwijderingsbesluit gaat en niet om een terugkeerbesluit.
Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit gedeeltelijk vernietigd voor zover Polen als terugkeerland is vermeld. Het overige van het besluit blijft gehandhaafd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan connexiteit. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het verwijderingsbesluit wordt gedeeltelijk vernietigd vanwege onjuiste vermelding van Polen als land van terugkeer; het overige besluit blijft gehandhaafd.