ECLI:NL:RBDHA:2025:10074
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van inbewaringstelling en zicht op uitzetting naar Algerije
De rechtbank Den Haag behandelde op 3 juni 2025 het beroep van eiser tegen de maatregel van inbewaringstelling opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde onder meer dat de wijze van binnentreden traumatisch was, dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije bestond, dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat het binnentreden in de woning rechtmatig was en dat het onwenselijke karakter daarvan geen onrechtmatigheid oplevert. Verder stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, mede gelet op recente jurisprudentie en het aantal verstrekte laissez-passer in 2024 en begin 2025. De minister had bovendien voldoende voortvarend gehandeld door tijdig de lp-aanvraag in te dienen, rappels te versturen en een vertrekgesprek te voeren.
Ten aanzien van het lichter middel concludeerde de rechtbank dat geen andere minder dwingende maatregel doeltreffend was en dat het feit dat eiser niet op de hoogte was van vertrekgesprekken of afwijzing van zijn aanvraag daaraan niets afdeed. De ambtshalve toetsing leidde ook niet tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.