ECLI:NL:RBDHA:2024:9480

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
NL24.23596
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 VwVreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring en afwijzing schadevergoeding

De eiser, met de Algerijnse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 19 april 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is opgelegd. De rechtbank had deze maatregel reeds getoetst in een uitspraak van 2 mei 2024, waarbij de maatregel tot 1 mei 2024 rechtmatig werd bevonden.

De beoordeling richt zich daarom op de periode vanaf 1 mei 2024. Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, omdat zijn aanvraag voor een laissez-passer op 23 april 2023 onbeantwoord bleef en hij nog niet bij de Algerijnse autoriteiten was gepresenteerd. De rechtbank volgt deze stelling niet, omdat er in algemene zin wel zicht is op uitzetting naar Algerije en geen aanwijzingen dat dit voor eiser anders is. Het tijdsverloop en het ontbreken van presentatie leiden niet tot twijfel over het verkrijgen van een laissez-passer binnen afzienbare tijd.

Daarnaast heeft eiser onvoldoende medewerking verleend aan het uitzettingstraject, wat hij ook tijdens een vertrekgesprek op 22 mei 2024 bevestigde. De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23596

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 10 juni 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 mei 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 1 mei 2024, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 1 mei 2024.
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Op 23 april 2023 is een aanvraag om een lp [3] ingediend en daarop is geen reactie gekomen, ondanks rappels van verweerder. Ook is nog steeds geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten gepland.
5. Eiser wordt hierin niet gevolgd. In zijn algemeenheid bestaat er zicht op uitzetting
naar Algerije. [4] Er zijn geen aanknopingspunten dat dit voor eiser anders is. Het tijdsverloop sinds de lp-aanvraag en het feit dat eiser nog niet is gepresenteerd, maakt niet dat op voorhand twijfel bestaat over de vraag of de Algerijnse autoriteiten binnen een afzienbare termijn een lp zullen afgeven. Verder kan eiser het uitzettingstraject bespoedigen door zijn medewerking te verlenen, wat hij verzuimt. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 22 mei 2024 verklaard dat hij niets heeft gedaan en ook niet zal gaan doen om zijn vertrek te bespoedigen. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan niet gesteld worden dat geen zicht op uitzetting bestaat.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.