Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaken tussen
[eiser 1] , in haar hoedanigheid van
[eiser 2],
Rechtbank Den Haag
Eisers vorderden schadevergoeding omdat zij meenden dat de Sociale verzekeringsbank (SVB) te snel had geconcludeerd dat zij geen recht hadden op een wezenuitkering, wat volgens hen vooringenomen handelen betekende en tot onzekerheid leidde.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer dan twee jaar duurden, waardoor geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De gewijzigde besluiten van de SVB kwamen volledig tegemoet aan de bezwaren van eisers.
Daarnaast kon niet worden vastgesteld dat de vader van eisers was overleden, wat een vereiste is voor het ontstaan van het recht op een wezenuitkering. De rechtbank vond dat het voor eisers redelijkerwijs duidelijk moest zijn geweest dat zij geen recht hadden op de uitkering.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af en verklaarde de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk. Er was geen sprake van verwijtbaar handelen door de SVB en ook geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
De uitspraak werd gedaan door rechter N.E.M. de Coninck en griffier M. Klaus op 15 mei 2024.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen en de beroepen tegen de bestreden besluiten worden niet-ontvankelijk verklaard.