Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2024 in de zaak tussen
[naam] , eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), alsmede
Inleiding
Gronden beroep
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een brief van het COA waarin werd meegedeeld dat zijn opvang in de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel per 5 maart 2024 wordt beëindigd. Tevens richt het beroep zich tegen een mondelinge aanzegging van de staatssecretaris om de VBL te verlaten. De rechtbank heeft een voorlopige voorziening toegewezen waardoor de opvang niet mocht worden beëindigd totdat op het beroep was beslist.
De rechtbank oordeelt dat de brief van het COA geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een beschikking gelijk te stellen handeling. De opvang in de VBL valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), niet het COA. De brief van het COA is slechts een feitelijke mededeling.
De mondelinge mededeling van de staatssecretaris wordt wel aangemerkt als een met een beschikking gelijk te stellen feitelijke handeling, waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt. Daarom is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en zendt zij het beroepschrift door naar de staatssecretaris als bezwaarschrift.
De rechtbank gaat niet in op verdere aangevoerde omstandigheden zoals de gezondheidstoestand van eiser en zijn gezin. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en zendt het beroepschrift door als bezwaarschrift.