ECLI:NL:RBDHA:2024:8909

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juni 2024
Publicatiedatum
10 juni 2024
Zaaknummer
AWB 24/3027
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 5 Wet COaArt. 6:15 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen beëindiging opvang in VBL Ter Apel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een brief van het COA waarin werd meegedeeld dat zijn opvang in de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel per 5 maart 2024 wordt beëindigd. Tevens richt het beroep zich tegen een mondelinge aanzegging van de staatssecretaris om de VBL te verlaten. De rechtbank heeft een voorlopige voorziening toegewezen waardoor de opvang niet mocht worden beëindigd totdat op het beroep was beslist.

De rechtbank oordeelt dat de brief van het COA geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een beschikking gelijk te stellen handeling. De opvang in de VBL valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), niet het COA. De brief van het COA is slechts een feitelijke mededeling.

De mondelinge mededeling van de staatssecretaris wordt wel aangemerkt als een met een beschikking gelijk te stellen feitelijke handeling, waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt. Daarom is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en zendt zij het beroepschrift door naar de staatssecretaris als bezwaarschrift.

De rechtbank gaat niet in op verdere aangevoerde omstandigheden zoals de gezondheidstoestand van eiser en zijn gezin. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en zendt het beroepschrift door als bezwaarschrift.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/3027

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2024 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), alsmede

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerders,
(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de brief van het COa van 27 februari 2024, waarin is vermeld dat zijn onderdak in de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel wordt beëindigd op 5 maart 2024 en dat hij op die datum de COA-locatie dient te verlaten. Daarbij is ook vermeld dat dit ook geldt voor zijn familieleden, te weten zijn echtgenote, [1] en zijn meerderjarige dochters [2] . Het beroep van eiser richt zich ook tegen de (mondelinge) aanzegging van 27 februari 2024 van de staatssecretaris om de VBL-locatie op 5 maart 2024 te verlaten.
1.1.
Op 28 februari 2024 heeft eiser een beroepschrift ingediend en verzocht om een voorlopige voorziening, inhoudende dat het COa zich dient te onthouden van beëindiging van de opvangvoorzieningen totdat op het beroep is beslist. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/3028. Eiser heeft het verzoek op 1 maart 2024 nader toegelicht, waarna het COa en de staatssecretaris op 4 maart 2024 hebben gereageerd.
1.2.
De voorzieningenrechter van deze zittingsplaats heeft op 4 maart 2024 [3] het verzoek van eiser toegewezen en heeft bepaald dat de opvang van eiser en zijn familieleden niet mag worden beëindigd tot op het beroep is beslist.
1.3.
Op 1 maart 2024 heeft eiser gronden van beroep ingediend.
1.4.
Verweerders hebben op 5 april 2024 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
1.5.
Op 6 mei 2024 heeft de rechtbank eiser verzocht om ten aanzien van twee punten zijn reactie voorafgaand aan de zitting op schrift te stellen. Eiser heeft zijn reactie op 8 mei 2024 ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het COa. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

Gronden beroep

2. Eiser vindt dat zowel het COa en DT&V begeleiding en onderdak bieden. Nu sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid valt niet in te zien waarom de verantwoordelijkheid voor plaatsing wel bij het COa ligt maar bij uithuisplaatsing niet. De brief van 27 februari 2024 van het COa is dan ook aan te merken als een besluit. Het is gericht op rechtsgevolg. Eiser stelt dat het in het verlengde van artikel 5 van Pro de Wet COa, voor wat betreft het kunnen overslaan van bezwaar als rechtsmiddel, rechtstreeks beroep bij de rechtbank open dient te staan en dat de rechtbank daarom bevoegd is.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij, aan de hand van eisers beroepsgronden, tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
.

Beroep tegen de brief van het COa

4. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 27 februari 2024 van het COa geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een beschikking gelijk te stellen handeling. Niet in geschil is dat eiser en zijn gezin geen recht meer hebben op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers. De opvang van eiser in de VBL is dan ook geen opvang in de zin van die Regeling, maar opvang voor uitgeprocedeerde vreemdelingen die meewerken aan vertrek. Die opvang valt onder de verantwoordelijkheid van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Het verlenen en beëindigen van het verblijf is dus geen bevoegdheid van het COa. Dat het COa de opvang feitelijk faciliteert leidt niet tot een andere conclusie. De brief van het COa dat de opvang wordt beëindigd is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en evenmin een -rechtens relevante- met een beschikking gelijkgestelde handeling in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa.

Beroep tegen de mondelinge mededeling van DT&V

5. Wat betreft de mondelinge mededeling van DT&V van 27 februari 2024 om de VBL te verlaten is de rechtbank van oordeel dat deze mondelinge mededeling valt aan te merken als een met een beschikking gelijk te stellen feitelijke handeling van de staatssecretaris. Daartegen zal eerst bezwaar moet worden gemaakt. Daarom is de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen [4] . Nu eerst een bezwaarfase doorlopen moet worden, zal de rechtbank het beroepschrift van eiser op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb doorzenden naar de staatssecretaris ter verdere behandeling als bezwaarschrift, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Die mededeling is hierbij gedaan.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en daarover een uitspraak te doen. Aan al wat eiser verder heeft aangevoerd over de gezondheidstoestand van eiser en zijn gezin, komt de rechtbank dan ook niet meer toe. Verweerder hoeft geen proceskosten aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
- het beroepschrift, voor zover gericht tegen de mondelinge aanzegging van 27 februari 2024, zal de rechtbank doorzenden naar de staatssecretaris ter verdere afhandeling als bezwaarschrift.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aïssa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak. nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.[naam] , geboren op [geboortedatum] , V-nummer: [nummer 2] .
2.[naam] , geboren op [geboortedatum] , V-nummer: [nummer 3] en [naam] , geboren op [geboortedatum] , V-nummer: [nummer 4] .
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1555.