ECLI:NL:RBDHA:2024:8117
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De rechtbank Den Haag heeft op 28 mei 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgelegd op 14 februari 2024 en werd sindsdien voortgezet. De rechtbank had deze maatregel al eerder beoordeeld in een uitspraak van 4 maart 2024, waarbij de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden.
Eiser stelde dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting was, omdat hij al drie maanden in bewaring zat zonder dat een uitzetting was geëffectueerd. Daarnaast voerde hij aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend zou handelen, gezien het beperkte aantal rappelleringen en vertrekgesprekken. De rechtbank oordeelde echter dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, conform recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank stelde vast dat de staatssecretaris sinds het sluiten van het vooronderzoek op 27 februari 2024 drie keer heeft gerappelleerd en twee vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Tevens stond een presentatie van eiser aan de Algerijnse autoriteiten gepland. De rechtbank vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en verklaarde het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.