Eisers, beiden Oekraïense nationaliteit, verlieten Oekraïne op 15 oktober 2021 om in Estland te wonen en werken. Na het verlopen van hun Estse werkvisum kwamen zij in november 2022 naar Nederland, waar hun moeders tijdelijke bescherming genieten.
De staatssecretaris wees hun aanvragen voor tijdelijke bescherming af, omdat zij niet voldeden aan de peildatum van 26 november 2021, die ruimer is dan het EU Uitvoeringsbesluit dat 24 februari 2022 als peildatum hanteert. Eisers voerden aan dat deze datum arbitrair is en dat zij ontheemd zijn door de oorlog.
De rechtbank oordeelt dat eisers niet onder de doelgroep van de Richtlijn vallen, omdat zij Oekraïne verlieten vóór de peildatum en hun vertrek niet oorzakelijk verband houdt met de oorlog. Ook is geen afgeleide bescherming toegekend, omdat zij niet afhankelijk zijn van hun moeders die in Nederland verblijven.
De rechtbank vindt dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat het horen in bezwaar niet verplicht was gezien de duidelijke feiten en motivering. De beroepen worden ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.