ECLI:NL:RBDHA:2024:5944
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De aanvraag werd ingediend op 29 september 2023, waarna verweerder de beslistermijn met drie maanden verlengde, waardoor uiterlijk 29 maart 2024 een besluit had moeten worden genomen. Deze termijn is verstreken zonder besluit.
Eisers stelden verweerder op 7 april 2024 rechtsgeldig in gebreke en dienden op 8 juni 2024 het beroep in, dat tijdig werd geacht. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, aangezien het niet tijdig beslissen gelijkstaat aan een besluit en verweerder in gebreke is gebleven.
De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht definitief toe wegens betalingsonmacht. Vervolgens legt zij op grond van artikel 8:55d Awb een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eisers, vastgesteld op €437,50, vanwege de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door rechter E.F. Bethlehem en openbaar gemaakt op 23 april 2024.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een termijn van acht weken op voor besluitvorming en een dwangsom bij overschrijding.