ECLI:NL:RBDHA:2024:3841
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na opvolgende aanvraag
Eiser, een Iraanse nationaliteitdragende vreemdeling, diende op 30 september 2020 een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder verleende deze vergunning met ingang van de datum van de opvolgende aanvraag. Eiser stelde dat de ingangsdatum terug moest gaan naar zijn eerste asielaanvraag van 21 maart 2014, omdat de opvolgende aanvraag ook als verzoek om bestuurlijke heroverweging had moeten worden gezien.
De rechtbank oordeelde dat eiser op geen enkel moment expliciet een verzoek om bestuurlijke heroverweging had ingediend. De opvolgende aanvraag en de bijbehorende stukken maakten duidelijk dat het om een nieuwe aanvraag ging, niet om een heroverweging van eerdere besluiten. Brieven van derden konden niet worden aangemerkt als een dergelijk verzoek, zeker niet nu eiser werd bijgestaan door een professionele gemachtigde die hierop had kunnen wijzen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ontvankelijk was, maar inhoudelijk ongegrond. De ingangsdatum van de verblijfsvergunning is correct vastgesteld op de datum van de opvolgende aanvraag. De rechtbank wees erop dat eiser altijd nog een verzoek om bestuurlijke heroverweging kan indienen bij verweerder. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.