ECLI:NL:RBDHA:2024:3571
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek geen rekening te houden met vaderlijk inkomen bij aanvullende beurs
Eiseres verzocht om bij de berekening van haar aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader, omdat het contact met hem vóór haar 12e verjaardag is verbroken. Verweerder wees dit verzoek af en hield vast aan de door de rechtbank Rotterdam in 2006 vastgestelde alimentatie van €170 per maand, die als veronderstelde ouderlijke bijdrage geldt.
De rechtbank overwoog dat volgens artikel 12 van Pro het Besluit studiefinanciering 2000 de vastgestelde alimentatie in de plaats treedt van de veronderstelde ouderlijke bijdrage tot de leeftijd van 21 jaar. Hoewel de feitelijke alimentatiebetalingen lager waren, was niet gebleken dat de alimentatie volledig oninbaar was. Eiseres had de mogelijkheid om alimentatie te vorderen en kon mogelijk gesubsidieerde rechtsbijstand krijgen.
De rechtbank oordeelde dat het niet verenigbaar is met de regeling om de vastgestelde alimentatie buiten beschouwing te laten zonder bijzondere omstandigheden. Het beroep van eiseres op redelijkheid, billijkheid, motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel faalde. Omdat de veronderstelde ouderlijke bijdrage lager is dan de vastgestelde alimentatie, is het voor eiseres gunstiger dat het inkomen van haar vader wordt meegenomen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij het verzoek af. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter Van der Poort-Schoenmakers op 20 maart 2024.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om het inkomen van haar vader buiten beschouwing te laten bij de aanvullende beurs is ongegrond verklaard.