ECLI:NL:RBDHA:2024:2805
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te vroege ingebrekestelling bij asielaanvraag
Eiser diende op 20 oktober 2022 een asielaanvraag in bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Volgens de standaard wettelijke beslistermijn van zes maanden zou de beslissing uiterlijk op 20 april 2023 moeten zijn genomen. Echter, door de inwerkingtreding van het Besluit WBV 2022/22 op 27 september 2022 werd de beslistermijn met negen maanden verlengd, waardoor deze termijn voor eiser verlengd werd tot 20 januari 2024.
Eiser stuurde op 14 november 2023 een ingebrekestelling naar de staatssecretaris om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Omdat de verlengde beslistermijn op dat moment nog niet was verstreken, was deze ingebrekestelling te vroeg en daarmee niet rechtsgeldig. Hierdoor was het daaropvolgende beroep van eiser niet-ontvankelijk en kon de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelen.
De staatssecretaris maakte op 24 januari 2024 alsnog een besluit bekend, waarna eiser het beroep op 25 januari 2024 introk en verzocht om een proceskostenvergoeding. De rechtbank zag echter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De rechtbank bevestigde dat de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig was op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, en dat eerdere uitspraken van deze rechtbank dit oordeel onderschrijven. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege een te vroege ingebrekestelling.