ECLI:NL:RBDHA:2024:2428
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De zaak betreft een beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en toen rechtmatig bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 12 januari 2024.
De eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in het uitzettingsproces en dat geen zicht bestond op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat de maatregel al bijna zes maanden duurde. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris wel degelijk voortvarend handelt, onder meer door het tweemaal schriftelijk rappelleren over de laissez-passer, het voeren van vertrekgesprekken en overleg met Surinaamse autoriteiten.
De Surinaamse autoriteiten bevestigden op 8 februari 2024 de identiteit en nationaliteit van eiser, en een presentatie bij die autoriteiten was gepland op 1 maart 2024. De rechtbank concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat uitzetting niet binnen redelijke termijn kan plaatsvinden. Tevens werd meegewogen dat eiser niet volledig meewerkt aan zijn terugkeer.
De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in het voortduren van de maatregel en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.