Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man geboren in 1968, diende een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder het ontbreken van duurzaam verblijf op basis van een geldige verblijfsvergunning en onvoldoende middelen van bestaan.
Eiser betoogde dat er sprake is van gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro met zijn meerderjarige zoon, vanwege financiële en emotionele afhankelijkheid, mede door de speciale onderwijsbehoefte van zijn zoon. De minister stelde dat het rechtmatig verblijf van eiser was geëindigd en dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid waren die het gezinsleven konden rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had vastgesteld dat er geen sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid die uitstijgen boven het gebruikelijke tussen volwassen familieleden. De financiële steun van eiser kon ook op afstand worden verleend, en er was geen onderbouwd bewijs voor medische of emotionele afhankelijkheid. Ook de hoorplicht was niet geschonden omdat eiser onvoldoende concreet had onderbouwd waarom hij gehoord moest worden.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitviel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met afwijzing van terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wordt ongegrond verklaard.