ECLI:NL:RBDHA:2024:22458
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens vermeend onderduiken gegrond verklaard
Eiser diende op 13 april 2024 een asielaanvraag in, welke niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. Na diverse procedures is vastgesteld dat Kroatië de overdracht moet uitvoeren. Verweerder verlengde de overdrachtstermijn tot 18 maanden wegens vermeend onderduiken van eiser, omdat eiser op 7 november 2024 zijn meldplicht niet nakwam en zijn persoonlijke spullen waren verdwenen uit het AZC.
Eiser stelde dat hij slechts één keer zijn meldplicht had gemist en niet opzettelijk buiten bereik van de autoriteiten was gebleven. Tevens voerde hij aan dat verweerder hem niet had geïnformeerd over zijn verplichtingen en de gevolgen van niet meewerken aan de overdracht. De rechtbank oordeelde dat onderduiken alleen kan worden aangenomen indien de vreemdeling doelbewust buiten bereik blijft en geïnformeerd is over zijn verplichtingen.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet had aangetoond dat eiser geïnformeerd was over zijn verplichtingen en de gevolgen van niet meewerken. Er waren geen overdrachtshandelingen gestart en geen overdrachtsdatum gecommuniceerd. Daarom was geen sprake van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit tot verlenging vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn is gegrond verklaard en het besluit vernietigd.