De zaak betreft een geschil tussen DUO en een voormalige student die studiefinanciering ontving van 1994 tot 2001. DUO vordert betaling van een aanzienlijke studieschuld die volgens haar nog openstaat, inclusief rente en incassokosten. De gedaagde betwist de hoogte van de vordering en voert aan dat de schuld grotendeels is kwijtgescholden.
De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Uit de stukken blijkt dat de studieschuld in 2019 formeel is kwijtgescholden, behoudens een kleine betalingsachterstand van € 3.286,71. Dit besluit heeft formele rechtskracht omdat er geen bezwaar tegen is gemaakt. DUO kon niet helder verklaren waarom de schuld in de jaren daarvoor fluctueerde en stelde dat het besluit van 2019 geen waarde zou moeten hebben, wat de rechtbank verwerpt.
De rechtbank stelt dat de gedaagde op grond van het besluit van 2019 mocht vertrouwen dat zijn schuld was kwijtgescholden. De resterende vordering van DUO wordt door verrekening met een betaling van € 5.000,00 opgeheven. De vordering wordt daarom afgewezen. DUO wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op € 2.693,00.