Eiseres, een voormalig bijstandsgerechtigde die als zelfstandig ondernemer werkzaam is als schoonheidsspecialiste, heeft een aanvraag ingediend voor een Bbz-uitkering. Deze aanvraag is door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag afgewezen omdat het bedrijf naar verwachting niet levensvatbaar is.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 behandeld en oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar onderneming levensvatbaar is. Hoewel zij in het verleden winstgevend was en een klantenbestand heeft opgebouwd, heeft zij sinds april 2023 geen winst kunnen maken vanwege het ontbreken van een bedrijfsruimte en haar onzekere woonsituatie.
De rechtbank benadrukt dat de situatie op het moment van het besluit bepalend is en dat eiseres de komende zes maanden geen omzet verwacht. Ook is onvoldoende onderbouwd dat het klantenbestand behouden is en meegenomen kan worden naar een nieuwe locatie.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard, krijgt eiseres geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter N.E.M. de Coninck op 17 december 2024.