Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Oekraïense staatsburger, diende op 23 februari 2024 een asielaanvraag in bij de Nederlandse autoriteiten. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Polen verantwoordelijk is voor de behandeling. Polen had een eerder visum aan eiser verstrekt en accepteerde het verzoek tot overname.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege pushbacks en detentiepraktijken in Polen, en dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden. De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel geldt en dat eiser onvoldoende feiten had aangevoerd om het te ontkrachten.
De rechtbank verwees naar recente jurisprudentie en het arrest van het Hof van Justitie van de EU, waarin werd bevestigd dat de verantwoordelijkheid bij Polen ligt tenzij er concrete aanwijzingen zijn voor een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest. Omdat eiser eerder een verblijfsvergunning in Polen had en geen pushback had ervaren, zag verweerder geen reden tot nader onderzoek.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser bij problemen in Polen zijn rechtsmiddelen daar kan aanwenden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.