De minister heeft op 14 november 2024 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die sinds 2 mei 2024 in strafrechtelijke detentie verbleef. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 26 november 2024.
Eiser voerde aan dat de minister zijn inspanningsverplichting niet was nagekomen omdat tijdens zijn strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen waren verricht. De rechtbank stelde vast dat de minister deze verplichting inderdaad heeft geschonden, maar dat dit niet automatisch de onrechtmatigheid van de bewaring tot gevolg heeft. Er is ruimte voor een belangenafweging.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is op basis van twee zware gronden die het vermoeden rechtvaardigen dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken, mede omdat eiser tijdens een vertrekgesprek aangaf niet terug te willen keren naar Marokko. Het feit dat eiser bij familie kan verblijven, weegt niet op tegen het risico van toezichtontduiking. Daarom is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De rechtbank veroordeelde de minister wel in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.750,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.