ECLI:NL:RBDHA:2024:2017
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering kinderopvangtoeslag wegens niet voldoen toeslagpartner aan woon- en arbeidseis
Eiseres was gehuwd met een toeslagpartner die niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko). De Belastingdienst heeft daarom de kinderopvangtoeslag over 2019 definitief berekend op nihil en een bedrag van €3.691 teruggevorderd. Eiseres maakte bezwaar en stelde onder meer dat de toeslagpartner ten onrechte was aangemerkt en dat het besluit in strijd was met het non-discriminatie- en evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank stelde vast dat de toeslagpartner in de eerste helft van 2019 in het buitenland verbleef en in de tweede helft van 2019 weliswaar in Nederland woonde maar niet voldeed aan de arbeidseis. Op grond van dwingende wettelijke bepalingen was het recht op kinderopvangtoeslag daarom niet aanwezig. Het beroep tegen het besluit van 3 april 2023 werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep mede gericht was tegen een later gewijzigd besluit van 18 januari 2024, tegen welk besluit het beroep ongegrond werd verklaard.
De rechtbank overwoog dat het onderscheid in de wet tussen partners woonachtig binnen en buiten de EU gerechtvaardigd is en niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel. Ook is het evenredigheidsbeginsel niet geschonden omdat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling zonder uitzonderingen. De terugvordering is daarom terecht en de menselijke maat werd voldoende toegepast. Wel werd verweerder veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering kinderopvangtoeslag is terecht; verweerder wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.000.