ECLI:NL:RBDHA:2024:19408
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling minister in proceskosten wegens niet tijdig beslissen machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Verweerder heeft later alsnog een besluit genomen, waarna verzoekster het beroep heeft ingetrokken maar heeft verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank overweegt dat, hoewel verweerder stelt dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat het werd ingesteld voordat de rechterlijke dwangsom was volgelopen, het beroep wel ontvankelijk is omdat het procesbelang aanwezig was op het moment van intrekking. De rechterlijke dwangsom is namelijk op 6 februari 2024 volgelopen en het besluit is pas op 9 juli 2024 genomen.
De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 437,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en rekening houdend met de lichte wegingsfactor omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 437,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen.