Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
[bedrijfsnaam 1] B.V.(vergunninghoudster)
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak is beroep ingesteld tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van 11 appartementen op een perceel in een rijksbeschermd stadsgezicht te Den Haag. Eisers voerden onder meer aan dat onvoldoende inspraak is geboden, het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, en dat de afwijking van de beheersverordening onvoldoende is gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt dat de uniforme voorbereidingsprocedure correct is gevolgd en dat de Awb geen aanvullende inspraakverplichting oplegt. De welstandscommissie heeft na aanvankelijke negatieve adviezen uiteindelijk positief geadviseerd, en de rechtbank acht het advies deugdelijk en zorgvuldig tot stand gekomen. De afwijking van de bouwhoogte en bouwmassa is ruimtelijk verantwoord, mede door de stedenbouwkundige beoordeling en het feit dat een groot deel van de uitbreiding ondergronds plaatsvindt.
Verder is vastgesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de cultuurhistorische waarden van het rijksbeschermd stadsgezicht en dat de belangenafweging door verweerder voldoende is gemotiveerd. Het betoog over de aanwezigheid van de beschermde vroedmeesterpad faalt wegens gebrek aan objectieve tegenrapportage. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de omgevingsvergunning.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.