Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
Inleiding
Overwegingen
Beslissing
mr.P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Syrische nationaliteit, heeft op 28 juni 2023 een asielaanvraag ingediend die door de minister is ingewilligd met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de subsidiaire beschermingsgrond (artikel 29 lid 1 onder Pro b Vw 2000).
Eiser stelde beroep in omdat hij meent dat hem ten onrechte geen verblijfsvergunning is verleend op de vluchtelingengrond (artikel 29 lid 1 onder Pro a Vw 2000) en dat hij als Koerdische minderheid in Syrië een gegronde vrees heeft voor discriminatoire bestraffing. Hij voerde ook psychische problemen aan die volgens hem onvoldoende zijn erkend.
De minister betoogde dat wijziging van de verleningsgrond niet tot een gunstiger positie leidt en dat eiser daarom geen procesbelang heeft. De rechtbank bevestigt dit op basis van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het wettelijke stelsel dat doorprocederen voor een andere grond zoveel mogelijk moet worden voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat de verleningsgronden dezelfde materiële rechten en voordelen bieden en dat eiser geen materieel gunstiger positie kan verkrijgen door beroep. Ook de psychische problemen en onzekerheden over toekomstige intrekking zijn onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en komt zij niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de vluchtelingengrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.