ECLI:NL:RBDHA:2024:1732
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag wegens prematuur ingediende ingebrekestelling
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 26 oktober 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris moest op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen, met een mogelijke verlenging van negen maanden vanwege een groot aantal aanvragen.
De staatssecretaris verlengde de beslistermijn rechtsgeldig met negen maanden op grond van het WBV 2022/22, dat op 27 september 2022 in werking trad. De rechtbank oordeelde eerder in een vergelijkbare zaak dat deze verlenging gerechtvaardigd was.
Eiser stelde de staatssecretaris bij brief van 10 mei 2023 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Omdat de verlengde beslistermijn nog niet was verstreken op het moment van de ingebrekestelling, was deze prematuur. Hierdoor voldeed het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en openbaar gemaakt op 15 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.