De VVE vorderde een verklaring voor recht dat de wijze waarop de eigenaar de appartementen verhuurt aan meerdere huurders die geen gezin vormen in strijd is met artikel 16.4 van de splitsingsakte. De VVE stelde dat verhuur aan meerdere personen zonder familiebanden niet is toegestaan en dat er sprake is van bedrijfsmatige exploitatie.
De eigenaar betwistte de strijdigheid met de splitsingsakte en voerde aan dat het procesmandaat van de VVE beperkt was tot verhuur aan arbeidsmigranten en dat de vordering te ruim en vaag was. De rechtbank oordeelde dat het gewijzigde procesmandaat de bezwaren wegneemt en dat de vordering voldoende duidelijk is.
Bij de uitleg van artikel 16.4 van de splitsingsakte concludeerde de rechtbank dat de bestemming van de appartementen is voor particulier woongebruik door eigenaars of gebruikers en hun gezin, waarbij meerdere gerechtigden en hun gezinnen zijn toegestaan. Hierdoor is kamerverhuur niet verboden.
De rechtbank vernietigde het verstekvonnis, wees de vorderingen van de VVE af, veroordeelde de VVE tot betaling van proceskosten en wettelijke rente aan de eigenaar en verklaarde de vorderingen in voorwaardelijke reconventie eveneens afgewezen.