ECLI:NL:RBDHA:2024:1613
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek, maar de minister weigerde dit op grond van artikel 21 van Pro de Visumcode vanwege redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Gambia. De minister stelde dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met zijn land van herkomst had aangetoond.
Eiser voerde aan dat hij als oudste zoon en kostwinner verantwoordelijk is voor zijn ouders en zussen, en dat hij werkzaam is als tourgids en taxichauffeur. De rechtbank oordeelde echter dat eiser deze sociale en economische binding onvoldoende had onderbouwd met objectiveerbare bewijsstukken. De zorg voor zijn vader en zussen kon ook door anderen worden overgenomen, en de financiële bijdragen konden ook vanuit Nederland plaatsvinden.
De rechtbank stelde vast dat de minister terecht een ruime beoordelingsmarge heeft bij de toetsing van visumaanvragen en dat de minister mocht concluderen dat er vestigingsgevaar bestaat. Ook het bezwaar dat eiser niet is gehoord werd verworpen omdat de minister redelijkerwijs kon inschatten dat het bezwaar geen ander besluit zou opleveren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de visumaanvraag. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de visumaanvraag wegens onvoldoende sociale en economische binding met Gambia.