ECLI:NL:RBDHA:2024:1484
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublinprocedure
Eiser, een Afghaanse nationaliteit, diende op 28 december 2021 een eerste asielaanvraag in die door verweerder niet in behandeling werd genomen vanwege de verantwoordelijkheid van Oostenrijk volgens de Dublinverordening. Na het niet tijdig overdragen aan Oostenrijk werd Nederland verantwoordelijk en diende eiser op 16 november 2022 een tweede asielaanvraag in, welke werd ingewilligd met ingang van die datum.
Eiser betwistte de ingangsdatum van de verblijfsvergunning en stelde dat deze terug moest gaan tot de datum van de eerste aanvraag. Hij verwees naar een eerdere uitspraak en stelde dat het onverenigbaar is met de Dublinverordening dat hij een nieuwe aanvraag moest indienen na het verstrijken van de overdrachtstermijn.
De rechtbank oordeelde dat het besluit op de eerste aanvraag rechtsgeldig vaststaat, omdat er geen beroep tegen was ingesteld en het besluit niet was ingetrokken. De rechtbank volgde niet de stelling van eiser en de eerdere uitspraak van Roermond, omdat de wet (artikel 44, tweede lid, Vw) bepaalt dat de verblijfsvergunning ingaat op de datum van de aanvraag die is ingewilligd. Het Europese Hof van Justitie bevestigt dat lidstaten niet verplicht zijn procedures te hervatten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter E.F. Bethlehem en griffier R. de Mul op 6 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel is ongegrond verklaard en de ingangsdatum blijft 16 november 2022.