ECLI:NL:RBDHA:2024:14829
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling wegens uitzetting naar Algerije
De minister heeft op 14 juni 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot het sluiten van het onderzoek op 9 juli 2024. Het huidige beroep richt zich op de rechtmatigheid van de bewaring sinds dat moment.
Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend is in het uitzettingstraject naar Algerije, wijzend op het ontbreken van een presentatie en beperkte respons van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank oordeelt echter dat de minister meerdere rappels heeft gedaan en vertrekgesprekken heeft gevoerd, en dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. De geplande presentatie op 12 september 2024 bevestigt dit.
Eiser stelt ook dat zijn medische situatie (TBC) en de duur van de bewaring zwaarder moeten wegen, en dat een lichter middel zoals meldplicht passend zou zijn. De rechtbank wijst dit af, verwijzend naar het risico op onttrekking en de aanwezigheid van medische zorg in het detentiecentrum.
Verder betoogt eiser dat hij gevaar loopt in Algerije en mogelijk rechtmatig verblijf heeft in Spanje. De rechtbank stelt dat deze aspecten niet aan de orde zijn in de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring en dat eiser zijn verblijfsrecht niet heeft onderbouwd.
De rechtbank ziet geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.