Uitspraak
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
13 september 2022 heeft eiser Iran verlaten. Daarnaast heeft hij discriminatie ondervonden vanwege zijn Arabische etniciteit.
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- eiser is Arabier en werd hierdoor gediscrimineerd;
- eiser heeft deelgenomen aan een demonstratie tegen de Iraanse overheid op
- eiser heeft deelgenomen aan een demonstratie in 2021 naar aanleiding van het water in de Karoon-rivier dat werd doorgeleid naar een andere provincie.
naar aanleiding vanhaar dood. Maar tijdens het aanvullende gehoor verklaart eiser dat ze tijdens de demonstratie berichten kregen dat Mahsa Amini klappen op haar hoofd had gekregen, dat zij in coma lag en dat zij later is overleden. [4] Hoewel eiser in beide gehoren heeft verklaard dat er twee redenen waren voor de demonstratie, namelijk de discriminatie van Arabieren en werkloosheid en de dood van Mahsa Amini, heeft hij in het nader gehoor de dood van Mahsa Amini als hoofdreden genoemd en in het aanvullende gehoor verklaard dat de dood van Mahsa Amini er later bij kwam als reden. [5] Ook heeft verweerder aan eiser tegen kunnen werpen dat hij deze demonstratie in september 2022 als reden van zijn vertrek uit Iran heeft genoemd en dat hij heeft verklaard dat hij hierna de procedure in gang heeft gezet om het visum voor Brazilië te verkrijgen, terwijl het visum voor Brazilië al is afgegeven in juli 2022. De uitleg van eisers gemachtigde dat dit mogelijk komt doordat het visum niet rechtmatig is verkregen maar via een mensensmokkelaar die misschien visa met eerdere data klaar had liggen, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft in reactie hierop terecht gewezen op de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor waarin staat dat eiser het visum voor Brazilië zelf heeft aangevraagd. Gelet op deze tegenstrijdigheden heeft verweerder het niet doorslaggevend hoeven vinden dat eiser wel redelijk voldoende heeft verklaard over de gebeurtenissen tijdens de demonstratie.
geensprake is van een politieke overtuiging. Uit het IB 2024/10 blijkt dat verweerder eerst beoordeelt of er sprake is van een (geloofwaardige) politieke overtuiging, waarbij een gedachte of mening al valt onder het begrip ‘politieke overtuiging’, en dat vervolgens wordt beoordeeld of er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens die politieke overtuiging. Hoewel verweerder in het bestreden besluit niet conform deze werkwijze heeft getoetst, ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek te passeren omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. [7] Verweerder heeft namelijk in het bestreden besluit en met de toelichting op zitting voldoende gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door deelname aan de demonstratie in 2021 in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten. Ook heeft eiser verklaard dat politiek hem niet interesseert en dat hij bij terugkeer naar Iran geen politieke activiteiten zou willen verrichten. Eiser heeft niet nader toegelicht hoe zijn Arabische etniciteit in combinatie met zijn eerdere deelname aan een demonstratie ertoe leidt dat hij bij terugkeer naar Iran toch een gegronde vrees voor vervolging heeft, nu niet aannemelijk is dat hij door één van beiden in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat of zal komen te staan. Verweerder heeft zich namelijk ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser bij terugkeer naar Iran geen gegronde vrees voor vervolging heeft op basis van zijn Arabische etniciteit omdat hij toegang heeft gehad tot onderwijs, medische zorg, en werk.
Conclusie en gevolgen
€ 2.625,-. [9]